De burgemeester legde aan eiser een last onder dwangsom op wegens verstoring van de openbare orde op 20 november 2021, met een dwangsom van € 2.500,- bij herhaling. De burgemeester vorderde deze dwangsom in na een vermeende wanordelijkheid op 27 april 2022. Eiser betwistte de uitreiking van het dwangsombesluit en stelde dat hij pas bij het bezwaar in juli 2022 van het besluit kennis nam.
De rechtbank oordeelt dat de burgemeester niet aannemelijk heeft gemaakt dat het dwangsombesluit op correcte wijze aan eiser is uitgereikt. Navraag bij politie en toezichthouders leverde geen bewijs op van uitreiking aan eiser. Zonder geldige bekendmaking treedt het besluit niet in werking, waardoor de last onder dwangsom op het moment van de vermeende wanordelijkheid niet van kracht was.
Hierdoor is er geen dwangsom verbeurd en kan de burgemeester deze niet invorderen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het invorderingsbesluit. Tevens wordt de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.