ECLI:NL:RBMNE:2023:6369
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd voor voorlopige voorziening in verzetprocedure
Verzoeker heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen in verband met een lopende verzetprocedure bij de rechtbank. Hij stelt dat hij in financiële moeilijkheden verkeert en spoedig naar Nederland wil terugkeren, waarbij hij hulp van de Nederlandse Staat verlangt vanwege vermeend onrechtmatig handelen.
De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat het verzoek niet betrekking heeft op een besluit van een bestuursorgaan zoals vereist volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De ingediende mails van de Nederlandse ambassade in Cairo en de brief van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken zijn geen besluiten en afkomstig van geen bestuursorgaan.
Daarom is de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:81 en Pro 8:1 Awb onbevoegd om op het verzoek te beslissen. Het feit dat verzoeker meent dat de behandeling van zijn verzetprocedure te lang duurt en dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld, verandert hier niets aan.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om een voorlopige voorziening te treffen wegens het ontbreken van een besluit in de zin van de Awb.