Verzoeker ontvangt sinds 2010 zorg via een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Na een huisbezoek op 21 juni 2023 heeft verweerder het pgb beëindigd wegens onvoldoende nakoming van verplichtingen door verzoeker. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de zorg voort te zetten.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang ontbreekt, mede omdat verzoeker tijdelijk in Amerika verblijft en daar zorg ontvangt van familie en vaste hulpverleners. Tevens blijft het recht op zorg bestaan, zij het in de vorm van zorg in natura via zorginstellingen waarmee verweerder samenwerkt.
Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat de beëindiging van het pgb tot acute financiële nood leidt of dat de zorg niet kan worden voortgezet. Ook is niet evident onrechtmatig dat het pgb is beëindigd, gezien de geconstateerde tekortkomingen zoals het niet melden van verblijf in het buitenland, onjuiste declaraties en het ontbreken van een pgb-administratie.
De voorzieningenrechter concludeert dat de belangenafweging niet in het voordeel van verzoeker uitvalt en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.