Tijdens de boerenprotesten op 5 juli 2022 in Heerenveen loste verdachte, een politieambtenaar, met zijn dienstwapen een gericht schot op de cabine van een rijdende tractor, bestuurd door [slachtoffer], met als doel deze te stoppen. De rechtbank acht bewezen dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de bestuurder hierdoor dodelijk geraakt kon worden, wat neerkomt op voorwaardelijke opzet en daarmee poging tot doodslag.
De verdediging voerde aan dat verdachte niet bewust was van het risico en handelde uit noodweer of putatief noodweer, en dat hij handelde volgens de geweldsinstructie. De rechtbank verwierp deze verweren op basis van camerabeelden en dossierstukken, die aantonen dat geen direct gevaar of noodweersituatie bestond en dat het geweld niet proportioneel of subsidiar was.
De rechtbank erkent de moeilijke omstandigheden waaronder verdachte handelde, waaronder de chaotische sfeer en onmogelijke taak, en houdt rekening met zijn lange staat van dienst en de impact van de zaak op zijn privéleven. Daarom legt zij een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van een jaar op, gecombineerd met een onvoorwaardelijke taakstraf van tachtig uur.
Het vonnis benadrukt dat ook politieambtenaren zich aan de wet moeten houden en dat het gebruik van geweld proportioneel moet zijn, waarbij een straf volgt als dat niet het geval is, ondanks de bijzondere positie van de verdachte.