ECLI:NL:RBMNE:2023:6449

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 november 2023
Publicatiedatum
4 december 2023
Zaaknummer
16/706289-16 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 6:6:25 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit illegale loterij

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 22 november 2023 uitspraak gedaan in een zaak waarbij de officier van justitie vorderde dat veroordeelde de verplichting krijgt opgelegd tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit een illegale loterij. De bewezenverklaarde periode loopt van 1 januari 2006 tot en met 29 oktober 2016.

De berekening van het voordeel is gebaseerd op een ontnemingsrapport waarin is vastgesteld dat veroordeelde gemiddeld €69 per trekking ontving, met een totaal van 694 trekkingen. Gezien omstandigheden zoals ziekenhuisopnames en stillegging van de organisatie is het aantal trekkingen gematigd tot 256, wat resulteert in een bedrag van €17.664,-. De verdediging heeft dit bedrag als aannemelijk erkend.

De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn van ruim vijf jaar, maar acht dit niet reden om de betalingsverplichting te verminderen omdat reeds rekening is gehouden met de meest gunstige situatie voor veroordeelde. De rechtbank legt daarom de betalingsverplichting van €17.664,- op aan veroordeelde en bepaalt een maximale gijzelingstermijn van 353 dagen.

Uitkomst: Veroordeelde wordt verplicht tot betaling van €17.664,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/706289-16 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige economische kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van 17 oktober 2023
in de zaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 november 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. A.M.V.C. Fellinger en van hetgeen veroordeelde en mr. P. Figge, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2.VORDERING

2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie van 17 oktober 2023 strekt ertoe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel. Het voordeel wordt door de officier van justitie geschat op € 47.886,00. De officier van justitie gaat daarbij uit van de berekening in het ontnemingsrapport.
Ter terechtzitting van 8 november 2023 heeft de officier van justitie naar aanleiding van hetgeen naar voren is gebracht door de verdediging het bedrag in haar eis bijgesteld naar € 17.664,00.
Op specifieke standpunten zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat veroordeelde in verschillende tussenperiodes van de ten laste gelegde periode geen bijdrage heeft geleverd aan de illegale loterij. In totaal gaat het om een periode van 357 weken, waarin veroordeelde dus geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Als die 357 weken buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening zoals gehanteerd in het ontnemingsrapport, komt hieruit een bedrag van € 17.664,- De verdediging acht het aannemelijk dat veroordeelde dat bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.
De verdediging verzoekt om de betalingsverplichting te matigen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
Op bovengenoemde verweren zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.

3.BEOORDELING VAN DE VORDERING

3.1
Wettelijk kader
Op grond van artikel 36e (oud) Sr kan aan de veroordeelde die voordeel heeft verkregen de verplichting tot het betalen van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden opgelegd. Dit voordeel kan - onder meer - zijn verkregen door middel van of uit baten van een feit waarvoor hij is veroordeeld.
Artikel 36e (oud) Sr heeft een herstellend karakter. Dit betekent dat de ontnemingsmaatregel de veroordeelde beoogt te brengen in de vermogenspositie waarin hij verkeerde vóór het plegen van het strafbare feit waaruit hij voordeel heeft verkregen. Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde daadwerkelijk heeft behaald.
De rechter heeft volgens vaste rechtspraak bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel een grote mate van beoordelingsvrijheid. De toets die de rechter moet hanteren is die van “aannemelijkheid”. In andere woorden, de rechter moet zich de vraag stellen of het aannemelijk is dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.
Wel is de rechter die over de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet oordelen, gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. Dit laat evenwel onverlet dat aan de rechter, oordelend over de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, een zelfstandig oordeel toekomt met betrekking tot verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat.
3.2.
De grondslag van de vordering
De rechtbank heeft veroordeelde in de onderliggende strafzaak met opgemeld parketnummer bij vonnis van 22 november 2023 veroordeeld ter zake van ‘medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 1, eerste lid onder a van de Wet op de kansspelen, opzettelijk begaan, terwijl hiervan een gewoonte is gemaakt.
3.3.
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank – voor zover niet anders wordt vermeld – tot uitgangspunt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport. [1]
3.3.1.
Periode
De bij vonnis van 22 november 2023 bewezenverklaarde periode is van 1 januari 2006 tot en met 29 oktober 2016. Dit komt overeen met de periode die in het ontnemingsrapport is gehanteerd.
3.3.2.
Omvang voordeel per trekking
In het ontnemingsrapport zijn onder meer de volgende uitgangspunten gehanteerd:
- veroordeelde ontving 25% van de spelersinleg;
- in de administratie die bij medeverdachte [medeverdachte] is aangetroffen staan de bedragen vermeld van de inleg van de trekkingen van 29 oktober 2016 (dubbele trekking) en 22 oktober 2016 (enkele trekking). Deze bedragen worden bij elkaar opgeteld en gedeeld door drie om een gemiddelde spelersinleg per trekking te berekenen. Hieruit volgt een gemiddelde totale spelersinleg per trekking van € 276,00 (naar beneden afgerond);
- 25% van deze gemiddelde spelersinleg betreft de gemiddelde opbrengst per trekking voor veroordeelde, namelijk € 69,00;
De rechtbank acht deze uitgangspunten in het ontnemingsrapport redelijk.
3.3.3.
Aantal trekkingen
In het ontnemingsrapport is het totaal aantal trekkingen vastgesteld op 694. Daarbij is ervan uit gegaan dat er per jaar 64 trekkingen werden gehouden, dus elke zaterdag een trekking, met dubbele trekkingen op de laatste zaterdag van de maand. In het jaar 2016 worden de trekkingen gerekend vanaf 1 januari 2016 tot en met 29 oktober 2016, te weten 54 trekkingen.
In de bij veroordeelde aangetroffen administratie zijn geen aantekeningen gevonden die elke week van de ten laste gelegde periode dekken. Door de verdediging is naar voren gebracht dat veroordeelde in diverse periodes binnen de tenlastegelegde periode geen werkzaamheden heeft verricht aan de illegale loterij, en daardoor ook niets ontving. De oorzaken hiervoor zijn gelegen in het overlijden van één van de organisatoren van de illegale loterij (waardoor de gehele organisatie daarvan enige tijd stil heeft gelegen), vakanties van veroordeelde en verschillende ziekenhuisopnames en herstelperiodes van veroordeelde. Gelet op het forse tijdsverloop is de rechtbank, met de officier van justitie, van oordeel dat niet van de verdediging kan worden verlangd dat stukken worden overgelegd waaruit blijkt om welke periodes het precies gaat. De rechtbank zal dan ook, conform het standpunt van de verdediging en de eis van de officier van justitie, de periode matigen tot vier jaren, waardoor het totaal aantal trekkingen waarvan veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uitkomt op 256.
3.3.3.
Kosten
Uit het onderzoek is niet gebleken dat veroordeelde kosten heeft gemaakt voor de illegale loterij.
3.3.4.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de in het ontnemingsrapport gehanteerde berekening deels overnemen. De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 17.664,00 (256 trekkingen vermenigvuldigd met € 69,00 dat veroordeelde gemiddeld per trekking verdiende).
3.4
Betalingsverplichting
De rechtbank zal aan veroordeelde de verplichting tot betaling aan de Staat opleggen van een bedrag van € 17.664,00.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) is overschreden met ruim vijf jaren. Bij de doorzoeking in zijn woning op 29 oktober 2016 is veroordeelde voor het eerst geconfronteerd met de vervolging in de strafzaak en de rechtbank wijst vonnis op 22 november 2023. De rechtbank heeft met deze forse overschrijding van de redelijke termijn al in voldoende mate rekening gehouden bij het bepalen van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals hiervoor onder 3.3.3. is beschreven. De overschrijding van de redelijke termijn heeft niet in het nadeel van veroordeelde gewerkt, aangezien bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van de meest gunstige situatie voor veroordeelde. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om de betalingsverplichting van de veroordeelde te verminderen, maar volstaat zij op deze plaats met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

4.TOEGEPAST WETSARTIKEL

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.BESLISSING

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 17.664,00;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 17.644,00 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering en de LOVS-afspraken ten hoogste kan worden gevorderd op 353 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mrs. A.J. Reitsma en H.C. Piet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E.J. van de Mortel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 november 2023.

Voetnoten

1.Het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict”, opgenomen in het aan de strafzaak ten grondslag liggende proces-verbaal 14Beflijster / MD1RO15048, nummer 2015210746 (pagina 429 tot en met 436).