Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De overwegingen van de kantonrechter
132,00
Rechtbank Midden-Nederland
De eiser was lid van de Raad van Toezicht van de gedaagde stichting en had een overeenkomst van opdracht voor de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2022. Volgens het rooster van aftreden trad hij echter per 1 januari 2022 af en werd hij niet herbenoemd. Hij vorderde betaling van de vergoeding over 2022, stellende dat hij volgens de overeenkomst tot eind 2022 benoemd zou blijven.
De kantonrechter overwoog dat ondanks de discrepantie tussen de overeenkomst en het rooster van aftreden, de eiser vanaf 1 januari 2022 geen lid meer was en geen werkzaamheden heeft verricht. Op grond van de overeenkomst is de vergoeding vanaf die datum niet verschuldigd. De uitzondering dat de werkzaamheden door toedoen van de opdrachtgever niet konden worden verricht, werd verworpen omdat het Verantwoordingsorgaan dat de voordracht doet, niet gelijkgesteld kan worden met de stichting.
De vordering werd afgewezen en de eiser werd veroordeeld in de proceskosten. Er was geen sprake van misbruik van procesrecht. De kosten werden begroot op €1.300,42 exclusief wettelijke rente.
Uitkomst: De vordering tot betaling van vergoeding over 2022 wordt afgewezen omdat de eiser per 1 januari 2022 was afgetreden en geen werkzaamheden verrichtte.