ECLI:NL:RBMNE:2023:6602
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning in Utrecht
Eiser betwistte de WOZ-waarde van zijn tussenwoning uit 1994 aan een adres in Utrecht, vastgesteld op €321.000 per 1 januari 2021. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de WOZ-waarde correct is vastgesteld.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin drie vergelijkbare woningen in dezelfde straat en omgeving werden vergeleken. De rechtbank oordeelde dat deze referentiewoningen geschikt en vergelijkbaar zijn en dat met verschillen voldoende rekening is gehouden. Diverse beroepsgronden van eiser, waaronder over KOUDVL-factoren en indexering, werden ingetrokken of verworpen.
De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar niet verplicht was de modelmatige methode te volgen en dat de gebruikte alternatieve onderbouwing, inclusief de taxateurservaring, toereikend was. Ook de gebruikte indexeringspercentages waren voldoende inzichtelijk en controleerbaar. Betwisting over gebruiksoppervlakte en voorzieningen van referentiewoningen werden niet gegrond verklaard.
De door eiser aangevoerde verkoopprijs van een andere woning was onvoldoende vergelijkbaar en bood geen grond voor verlaging van de WOZ-waarde. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard, griffierecht wordt niet teruggegeven en proceskosten worden niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €321.000 wordt ongegrond verklaard.