ECLI:NL:RBMNE:2023:6619

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 november 2023
Publicatiedatum
11 december 2023
Zaaknummer
UTR 23/3163
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:31 AwbArt. 8:42 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-tijdig beslissen op Woo-verzoek niet aannemelijk

Eiser had een bezwaarschrift ingediend tegen een besluit van 13 december 2022 en stelde dat verweerder niet tijdig had beslist op zijn Woo-verzoek. De rechtbank overweegt dat een bezwaarschrift niet kan dienen als een uitbreiding of aanvulling van een Woo-verzoek. Hierdoor is er volgens de rechtbank geen sprake van een nieuwe aanvraag waarop verweerder had moeten beslissen.

De rechtbank constateert dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn verplichting om stukken te overleggen, maar baseert haar oordeel op de stukken van eiser. Omdat de ingebrekestelling ongeldig is, is het beroep kennelijk ongegrond. De rechtbank merkt op dat verweerder na ontvangst van de ingebrekestelling contact had kunnen opnemen met eiser om onduidelijkheden te verhelderen, maar dat niet is gebleken of dit is gebeurd.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. Eversteijn op 15 november 2023 en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het Woo-verzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3163

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2023 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W. Visser)
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om aanvullende informatie in de zin van de Wet open overheid (Woo), neergelegd in zijn bezwaarschrift van 5 januari 2023, gericht tegen het besluit van 13 december 2022.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).
3. De griffier heeft bij brief van 21 juli 2023 verweerder in de gelegenheid gesteld om de op de procedure betrekking hebbende stukken te overleggen. Bij aangetekende brief van 15 augustus 2023 is verweerder opnieuw in de gelegenheid gesteld om deze stukken te overleggen. Verweerder heeft niet gereageerd op voornoemde brieven. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft voldaan aan de in artikel 8:42, eerste lid van de Awb neergelegde verplichting om de op de procedure betrekking hebbende stukken te overleggen. Op grond van artikel 8:31 van Pro de Awb kan de rechtbank hieruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen. De rechtbank zal in beginsel dan ook uitspraak doen op basis van de door eiser overgelegde stukken.
4. Eiser heeft zijn bezwaarschrift, gericht tegen de beslissing van 13 december 2022, ingediend op 5 januari 2023. Daarin heeft hij opgenomen dat hij, “
voor zover vereist, op basis van de Woo een aanvullende aanvraag indient om de informatie tussen het moment van het indienen van de initiële aanvraag, en het moment waarop verweerder beslist op deze aanvullende aanvraag ook openbaar te maken”. Eiser heeft beroep ingesteld, omdat verweerder volgens hem te laat heeft beslist op deze aanvraag.
5. De rechtbank overweegt dat het niet mogelijk is om in een bezwaarschrift een uitbreiding of een aanvulling van een Woo-verzoek te doen. De rechtbank is hierdoor dan ook van oordeel dat verweerder hierin geen (nieuwe) aanvraag om aanvullende informatie in de zin van de Woo heeft hoeven te zien. Eiser wordt daarom niet in zijn redenering gevolgd dat hij een aanvraag om aanvullende informatie heeft gedaan in zijn bezwaarschrift van 5 januari 2023. Dat eiser hiermee al bekend was, volgt ook uit het advies van de bewaarschriftencommissie van 7 april 2023 [1] , zie randnummer 5. daarvan. Dit betekent dat er geen sprake is van het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. Daarmee is de ingebrekestelling ongeldig en is het beroep kennelijk ongegrond.
6. Wel had verweerder, na ontvangst van de ingebrekestelling van 9 juni 2023, contact op kunnen nemen met eiser om na te gaan waar het hem om ging. Nu de rechtbank geen stukken van verweerder heeft ontvangen, kan de rechtbank niet nagaan of dat is gebeurd. Ook weet de rechtbank niet of eiser inmiddels een aanvraag heeft ingediend.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. Kampschuur, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2023.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.De rechtbank is ambtshalve bekend met dat advies door het beroep in de zaak met nummer UTR 23/3332; het beroep tegen het besluit van 15 mei 2023.