ECLI:NL:RBMNE:2023:6620

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 december 2023
Publicatiedatum
11 december 2023
Zaaknummer
16/660462-16
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontnemingsvordering wegens ontbreken financieel voordeel uit criminele organisatie

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 11 december 2023 de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die onherroepelijk is veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie gericht op wapenhandel in de periode van 2013 tot 2016.

De officier van justitie vorderde een bedrag van €547.200,-, gebaseerd op een ontnemingsrapport waarin werd uitgegaan van een economische eenheid tussen veroordeelde en haar echtgenoot, eveneens medeveroordeelde. De verdediging stelde zich op het standpunt dat de vordering moest worden afgewezen.

De rechtbank oordeelde dat uit het dossier en de ter terechtzitting behandelde stukken niet kan worden vastgesteld dat veroordeelde financieel heeft geprofiteerd van de criminele activiteiten. Er waren geen concrete aanwijzingen voor financiële verwevenheid tussen veroordeelde en haar echtgenoot, mede omdat zij gehuwd waren onder huwelijkse voorwaarden. Veroordeelde had gedurende de relevante periode een legaal inkomen en er was geen bewijs dat zij over meer beschikte.

Daarom wees de rechtbank de ontnemingsvordering af en legde geen verplichting tot betaling van het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel op.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens ontbreken van bewijs van financieel voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/660462-16 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer van 11 december 2023 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] (Polen),
wonende aan de [adres] , [woonplaats] (België),
hierna te noemen: veroordeelde.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is aan de orde geweest op het onderzoek ter terechtzitting van 12 en 19 februari 2018, 11 december 2018, 23 juni 2022 en 13 november 2023. Op de laatstgenoemde datum is de vordering inhoudelijk behandeld. Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling heeft een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. E. Ahbata en van hetgeen veroordeelde en mr. E.K.A. van den Bos, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2.BEOORDELING VAN DE VORDERING

2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie van 18 januari 2018 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan verdachte opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel van € 547.200,00.
De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting van 13 november 2023 op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
2.3
Het oordeel van de rechtbank
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en door dat feit of uit de baten daarvan voordeel heeft verkregen.
Veroordeelde is in de met deze ontnemingsprocedure verband houdende strafzaak onder andere onherroepelijk veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie, gericht op wapenhandel, in de periode van 19 oktober 2013 tot 29 november 2016. Zij is vrijgesproken van wapenhandel in diezelfde periode. De vordering is erop gebaseerd dat aannemelijk is dat haar deelname aan de criminele organisatie of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daarbij wordt in het ontnemingsrapport uitgegaan van een economische eenheid tussen veroordeelde en haar echtgenoot, tevens medeveroordeelde in de met deze procedure verband houdende strafzaak.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat veroordeelde financieel heeft geprofiteerd van de deelname aan de criminele organisatie of andere strafbare feiten. Daarvoor zijn geen concrete aanwijzingen. Ook kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een dusdanige financiële verwevenheid tussen veroordeelde en haar partner dat sprake is van gemeenschappelijk voordeel waarover zij en haar partner ieder hebben kunnen beschikken. Het enkele gegeven dat veroordeelde en haar partner gehuwd zijn, overigens onder huwelijkse voorwaarden zoals ter terechtzitting is gebleken, is daarvoor niet toereikend. Van andere aanwijzingen voor financiële verwevenheid is de rechtbank niet gebleken. Veroordeelde heeft ten tijde van de bewezen verklaarde periode waarin zij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie altijd zelf (legaal) inkomen gehad. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat zij over meer dan die inkomsten heeft kunnen beschikken. Het eventueel wel door haar echtgenoot genoten voordeel uit deelname aan de criminele organisatie heeft dus ook niet zonder meer tot financieel voordeel voor veroordeelde geleid.
De rechtbank zal de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel daarom afwijzen.

3.BESLISSING

De rechtbank:
- wijst de vordering van de officier van justitie, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.J. van Yperen, voorzitter, mrs. A. Maas en J.P. Verboom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.M. Dijkstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 december 2023.