Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.VOORVRAGEN
3.VORDERING
4.BEOORDELING VAN DE VORDERING
€ 39.276,07+
€ 16.800,00-/-
€ 5.000,00-/-
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde de ontnemingsvordering tegen veroordeelde, die onherroepelijk is veroordeeld voor medeplegen van wapenhandel en deelname aan een criminele organisatie. De vordering betrof het vaststellen en ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel in vuurwapens.
De rechtbank beoordeelde de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de hand van het ontnemingsrapport en de standpunten van partijen. De rechtbank stelde vast dat veroordeelde in de periode van 16 februari 2015 tot 29 november 2016 51 kasten voor vuurwapens heeft ingekocht, waarvan 29 kasten/wapens niet zijn verkocht. Dit resulteerde in 22 verkochte wapens met een nettowinst van €2.400 per wapen, wat een opbrengst van €52.800 opleverde. Deze opbrengst werd geëxtrapoleerd naar de bewezen verklaarde periode van 19 oktober 2013 tot 16 februari 2015, wat €39.276,07 opleverde. Na aftrek van de waarde van 7 wapens die tijdens een embargo-onderzoek in beslag zijn genomen, stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €75.276,07.
De rechtbank wees de hoofdelijke betalingsverplichting aan veroordeelde en zijn echtgenote af vanwege gebrek aan concrete aanwijzingen voor gezamenlijk voordeel. Tevens matigde de rechtbank de betalingsverplichting met €5.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waardoor veroordeelde een bedrag van €70.276,07 aan de Staat moet betalen. De rechtbank bepaalde ook de maximale duur van gijzeling tot 1080 dagen.
De vordering tot ontneming werd toegewezen, waarbij de rechtbank het standpunt van de verdediging grotendeels verwierp en de berekeningsmethode van het ontnemingsrapport en de extrapolatie als voldoende aannemelijk beschouwde. De rechtbank benadrukte het belang van een redelijke termijn en matigde de betalingsverplichting overeenkomstig de jurisprudentie van de Hoge Raad.
Uitkomst: Veroordeelde moet €70.276,07 betalen aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit wapenhandel.