Deze uitspraak behandelt het overgangsrecht bij de Omgevingswet voor lopende Wabo-aanvragen en de betekenis van het vervallen van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning per 1 januari 2024. Verzoekster had een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning die nog niet was beslist, en stelde beroep in tegen het niet tijdig bekendmaken van een beschikking van rechtswege.
Het geschil betreft welke voorbereidingsprocedure van de Wabo van toepassing is, hetgeen bepalend is voor het al dan niet van rechtswege verlenen van de vergunning. De voorzieningenrechter acht het standpunt van het college dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt niet onjuist, maar zal dit in de hoofdzaak beoordelen. De regeling voor van rechtswege verleende vergunningen vervalt per 1 januari 2024, maar vergunningen die uiterlijk in december 2023 van rechtswege zijn verleend, moeten nog bekend worden gemaakt en kunnen daarna in werking treden.
De voorzieningenrechter concludeert dat het overgangsrecht inhoudt dat aanvragen gedaan uiterlijk acht weken voor 1 januari 2024 nog volgens de Wabo worden behandeld, maar dat de regeling voor van rechtswege verleende vergunningen per die datum vervalt. De procedure over het niet tijdig bekendmaken van een beschikking van rechtswege kan ook na 1 januari 2024 worden voortgezet.
Omdat verzoekster geen onverwijlde spoed aannemelijk heeft gemaakt, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De hoofdzaak zal verdere duidelijkheid moeten geven over de toepasselijke voorbereidingsprocedure en het al dan niet van rechtswege verlenen van de vergunning.