Eiser verzocht toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, welke door de korpschef werd geweigerd vanwege twijfel aan zijn betrouwbaarheid. Deze twijfel was gebaseerd op politiedossiers en tapgesprekken waarin eiser werd genoemd in verband met een strafzaak over drugssmokkel op Schiphol, ondanks dat de zaak geseponeerd was.
De rechtbank oordeelde dat de korpschef beoordelingsruimte heeft bij het vaststellen van betrouwbaarheid, zeker gezien de aard van de beveiligingsbranche waar hoge eisen gelden. De korpschef mocht concluderen dat de naam van eiser niet willekeurig in de tapgesprekken werd genoemd, maar dat hij bekend was in het criminele circuit en mogelijk werkzaamheden voor criminelen verrichtte.
Hoewel de strafzaak was geseponeerd, weegt dit niet zwaarder dan de concrete aanwijzingen uit de tapgesprekken en politiedossiers. De rechtbank vond de weigering niet disproportioneel en oordeelde dat de korpschef de toestemming terecht had onthouden. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard.