Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[eiseres sub 1] B.V. H.O.D.N. [handelsnaam] ,
[eiseres sub 2] B.V.,
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met 17 producties,
- - de nagekomen productie 14 van [eiseres c.s.] ,
2.Waar gaat deze zaak over?
voornemen’van de Gemeente om uiterlijk 31 oktober 2023 een kort geding te starten.
3.De beoordeling
de gegadigde is een externe partij – lees: een privaatrechtelijke (rechts)persoon die niet wordt geleid of bestuurd door de gemeente Veenendaal – die in staat is om zelfstandig (zonder enige verantwoordelijkheid bij de gemeente Veenendaal neer te leggen) een tankstation c.q. motorbrandstoffenverkooppunt te (laten) exploiteren;
de gegadigde heeft aantoonbare affiniteit en ervaring met de exploitatie van LPG tankstations en met de exploitatie van verkooppunten voor andere motorbrandstoffen;
de gegadigde is bij de exploitatie van de activiteiten op het genoemde perceel gericht op duurzame mobiliteit, het milieuvriendelijk (laten) exploiteren van een tankstation c.q. motorbrandstoffenverkooppunt en is bereid te investeren in een waterstoftankstation;
de gegadigde is in staat om te bewerkstelligen dat de huurovereenkomst die in het verleden is gesloten tussen de gemeente en de huurder (de heer [A] ) met betrekking tot het hiervoor genoemde perceel wordt beëindigd vóórdat het erfpachtrecht wordt gevestigd;
de gegadigde is bereid om met de huurder (de heer [A] ) afspraken te maken over compensatie van de historische investeringen die de huurder in/aan het hiervoor genoemde perceel heeft gedaan.
derdendie geen partij zijn bij de meerzijdige rechtshandeling te beschermen, is sprake van nietigheid op grond van artikel 3:40 lid 2 BW Pro. Daarnaast is niet uitgesloten dat ook via de band van artikel 3:40 lid 1 BW Pro geconcludeerd kan worden tot nietigheid. Dit is het geval wanneer wordt aangenomen dat niet Didam-conforme overeenkomsten in strijd zijn met de openbare orde, nu het gelijkheidsbeginsel een fundamenteel beginsel van de Nederlandse rechtsorde betreft. Nadien heeft deze rechtbank bij vonnis van 24 mei 2023 [3] geoordeeld dat het met het oog op de rechtszekerheid wenselijk is de Hoge Raad prejudiciële vragen over dit vraagstuk voor te leggen. Het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat dit tussenvonnis geen vervolg heeft gekregen, omdat de procedure (zeer recent) is ingetrokken. De voorzieningenrechter heeft bij deze stand van zaken voorshands oordelend geen reden om anders te oordelen dan hij in zijn uitspraak van 22 maart 2023 heeft gedaan.