ECLI:NL:RBMNE:2023:684
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in gemeente
Eiser ontving een aanslag op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor een woning in de gemeente, met een vastgestelde waarde van €260.000 per 1 januari 2020. Eiser betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €230.000 voor. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en ondersteunde dit met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde aannemelijk had gemaakt door inzicht te geven in de vergelijkingsmethode en de onderlinge verschillen tussen de woningen. Ook het gebruikte indexeringspercentage van 5,6% werd voldoende onderbouwd met verkoopinformatie. De door eiser aangevoerde bezwaren, zoals onvoldoende rekening houden met de specifieke ligging en het uitzicht, werden niet gevolgd.
Verder werd geoordeeld dat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond was, omdat de motivering voldoende was en de heffingsambtenaar adequaat had gereageerd op de bezwaren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard.