ECLI:NL:RBMNE:2023:6848

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 december 2023
Publicatiedatum
19 december 2023
Zaaknummer
UTR 23/5153
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening wegens opschorting kapwerkzaamheden

De Utrechtse Bomenstichting heeft bezwaar gemaakt tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht voor het vellen, verplanten en herplanten van bomen aan de Europalaan Noord. Omdat het bezwaar niet leidde tot schorsing van het besluit, heeft verzoekster een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat de bomen zouden worden gekapt tijdens de bezwaarprocedure.

Kort voor de zitting heeft de projectmanager namens vergunninghouder, een onderdeel van de gemeente, toegezegd de kapwerkzaamheden op te schorten tot twee weken na de beslissing op het bezwaar. Hierdoor heeft verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.

Het college stelde zich op het standpunt dat geen reden bestond voor proceskostenveroordeling omdat het besluit niet was opgeschort en niet was tegemoetgekomen op de gronden van verzoekster. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de toezegging van vergunninghouder als tegemoetkomen door het bestuursorgaan moet worden gezien en wees het verzoek tot proceskostenveroordeling toe.

De proceskosten werden vastgesteld op € 837,- en het betaalde griffierecht wordt terugbetaald. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wordt veroordeeld tot betaling van € 837,- aan proceskosten wegens toezegging tot opschorting van kapwerkzaamheden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5153

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2023 in de zaak tussen

Utrechtse Bomenstichting, uit Utrecht, verzoekster

(gemachtigde: drs. C. van Oosten),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. J.M. Hillenaar).

Procesverloop

Met het besluit van 16 oktober 2023 heeft het college aan een organisatieonderdeel van de gemeente Utrecht (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het vellen van 112 bomen, het verplanten van 13 bomen en het herplanten van 143 bomen op het adres Europalaan Noord in Utrecht.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Omdat het indienen van het bezwaarschrift niet leidt tot schorsing van het besluit heeft verzoekster bij de voorzieningenrechter een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Vergunninghouder is voornemens om op 8 januari 2024 te kappen, omdat op 15 januari 2024 wordt gestart met de herinrichtingswerkzaamheden voor de Europalaan Noord.
De voorzieningenrechter heeft partijen op 15 november 2023 bericht dat het verzoek wordt behandeld op een zitting op donderdag 30 november 2023.
Op maandagavond 27 november 2023 heeft de projectmanager Europalaan Noord namens vergunninghouder verklaard bereid te zijn de werkzaamheden op te schorten tot twee weken nadat het college op het bezwaar van verzoekster heeft beslist.
Vervolgens heeft verzoekster het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken met een verzoek het college te veroordelen in de proceskosten die zij heeft gemaakt.
Het college heeft op 6 december 2023 gereageerd op dit verzoek. Het college stelt dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een proceskostenveroordeling. Ten eerste omdat het besluit niet is opgeschort door het college en ten tweede omdat niet tegemoet is gekomen op basis van de gronden van verzoekster.
Verzoekster heeft daarop op 8 december 2023 gereageerd.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten in bestuursrechtelijke procedures is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). [2]
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
4. In een voorlopige voorzieningsprocedure moet de vraag of sprake is van tegemoetkomen in de eerste plaats worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel tijdens -in dit geval- de bezwaarprocedure. Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft verzoekster ingediend met het doel om te voorkomen dat de bomen al tijdens de bezwaarprocedure zouden worden gekapt. Vergunninghouder heeft alsnog kort voor de zitting laten weten de werkzaamheden op te schorten tot twee weken na de beslissing op het bezwaarschrift. Verzoekster heeft daarmee dus bereikt wat zij met haar verzoek wilde bereiken. Daarom heeft zij het verzoek ook ingetrokken met verzoek om proceskostenveroordeling.
5. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten. De voorzieningenrechter volgt dus niet het standpunt van het college. Vergunninghouder maakt onderdeel uit van de gemeente. Het bericht van de vergunninghouder om de werkzaamheden op te schorten kan daarom mede worden aangemerkt als tegemoetkomen door het bestuursorgaan.
6. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten van verzoekster die het college moet betalen vast op € 837, - (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 837,- en wegingsfactor 1).
7. Omdat het verzoek is ingetrokken vanwege de toezegging van vergunninghouder, wordt het betaalde griffierecht door de griffier terugbetaald. [3]

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt het college tot betaling van € 837,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:75a van de Awb. Dat artikel is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige voorzieningenprocedure.
3.Op grond van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb.