De zaak betreft een huurder die sinds 2016 een zelfstandige studio huurde in een wooncomplex dat in 2020 werd gesloopt. De verhuurder en hoofdverhuurder sloten een nieuwe huurovereenkomst voor een ander complex, maar de oude huurovereenkomst werd niet formeel beëindigd via een opzegging met vordering tot beëindiging. De huurder maakte aanspraak op de wettelijke verhuiskostenvergoeding van €6.334,00, maar de verhuurder betaalde slechts een deel en bracht diverse kosten in mindering.
De rechtbank stelt vast dat de huurovereenkomst niet met wederzijds goedvinden is beëindigd en dat de huurder feitelijk gedwongen werd te verhuizen. Omdat de verhuurder de wettelijke procedure voor beëindiging wegens renovatie niet heeft gevolgd, valt de huurder tussen wal en schip en wordt het recht op verhuiskostenvergoeding onterecht ontzegd.
De rechtbank oordeelt dat de verhuurder de volledige wettelijke vergoeding minus reeds betaalde bedragen moet betalen, exclusief kosten die niet als in natura vergoeding zijn overeengekomen, zoals stofferings- en schilderkosten. De verhuurder wordt veroordeeld tot betaling van €4.664,47 plus wettelijke rente en proceskosten. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.