ECLI:NL:RBMNE:2023:7085
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen zuiveringsheffing bedrijven en afwijzing immateriële schadevergoeding
De rechtbank Midden-Nederland behandelde het beroep van eiser tegen drie aanslagen zuiveringsheffing bedrijven voor de belastingjaren 2020 en 2021. Eiser betwistte de aanslagen voornamelijk met WOZ-gerelateerde gronden en stelde dat hij geen gebruiker was, maar motiveerde niet waarom de aanslagen onterecht waren opgelegd. De rechtbank liet nieuwe gronden die pas ter zitting werden aangevoerd buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde.
De rechtbank oordeelde dat de bezwaren onvoldoende gemotiveerd waren en dat de aanslagen terecht waren opgelegd. Daarnaast behandelde de rechtbank het verzoek van eiser om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de bezwaarfase in twee zaken langer dan twee jaar duurde, achtte de rechtbank bijzondere omstandigheden aanwezig, met name de beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde van eiser en het grote aantal zaken dat hij behandelde.
Hierdoor werd de redelijke termijn verlengd met twaalf maanden, waardoor geen overschrijding werd vastgesteld. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd daarom afgewezen. De rechtbank wees het beroep ongegrond en veroordeelde eiser tot het betalen van griffierecht zonder vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslagen zuiveringsheffing bedrijven wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.