ECLI:NL:RBMNE:2023:737
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning ongegrond verklaard wegens aannemelijkheid heffingsambtenaar
Eiser ontving een WOZ-aanslag voor zijn woning met een waarde vastgesteld op €719.000 per 1 januari 2021. Hij betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €544.000 voor. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en onderbouwde deze met een taxatiematrix waarin vier vergelijkbare woningen werden aangevoerd.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De gebruikte referentiewoningen waren vergelijkbaar qua ligging, bouwjaar en uitstraling en de verschillen waren adequaat verwerkt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet omdat de woningen die eiser noemde verschillen in kaveloppervlakte.
Daarnaast werd het bezwaar dat een ander vergelijkingsobject gebruikt had moeten worden verworpen, omdat de heffingsambtenaar vrij is in de keuze van vergelijkingsobjecten en het door hem gekozen object beter geschikt was. Ook was er geen sprake van schending van de hoorplicht omdat eiser niet om een hoorzitting had verzocht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De heffingsambtenaar bood aan het griffierecht te vergoeden, maar de rechtbank gaf hieraan geen gevolg.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard en de waarde van €719.000 gehandhaafd.