ECLI:NL:RBMNE:2023:741
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van onroerende zaak met restaurant en woning
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak bestaande uit een restaurant, garage, berging, opslag, parkeerterrein en woning met een totale oppervlakte van 382 m2. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €793.000 per 1 januari 2020, welke waarde ook is gehandhaafd na bezwaar.
De rechtbank heeft het beroep behandeld en geoordeeld dat de heffingsambtenaar met een taxatiematrix en toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De waarde is bepaald door vergelijking met drie verkoopprijzen en ondersteund door een recente aankoop van het object door de huidige huurder voor €800.000, wat hoger is dan de vastgestelde waarde.
Eiser heeft een lagere waarde van €629.000 bepleit en verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar de rechtbank wees dit af. De rechtbank overweegt dat de waardepeildatum vóór de coronapandemie ligt en dat markttransacties dit weerspiegelen. Tevens oordeelde de rechtbank dat het verzoek om overlegging van de koopakte te laat is ingebracht en niet in strijd met de goede procesorde kan worden toegelaten.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de redelijke termijn niet is overschreden. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Moed op 22 februari 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.