De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 7 december 2023 een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag over een minderjarige geboren in 2010. De moeder en vader oefenden gezamenlijk gezag uit, maar de minderjarige woont sinds 2019 niet meer thuis en heeft geen contact meer met de moeder sinds die tijd. De Raad verzocht het gezag van beide ouders te beëindigen en de voogdij aan de gecertificeerde instelling toe te wijzen.
De rechtbank oordeelde dat het gezag van de moeder moest worden beëindigd omdat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd door onder meer de echtscheiding, uithuisplaatsing, contactbreuk en vermoedelijk seksueel misbruik. De moeder heeft geen contact meer met het kind en communiceert moeizaam met de GI, wat het bieden van noodzakelijke hulp belemmert. De aanvaardbare termijn voor terugkeer bij de moeder is verstreken.
Ten aanzien van de vader stelde de rechtbank vast dat hoewel ook hier de aanvaardbare termijn voor thuisplaatsing is verstreken en het kind niet bij hem woont, het beëindigen van zijn gezag niet in het belang van het kind is. De vader is de constante factor in het leven van de minderjarige, onderhoudt regelmatig contact en werkt goed samen met hulpverleners. De rechtbank acht de vader in staat om het gezag voort te zetten met ondersteuning van de GI.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de rechtbank heeft de minderjarige geïnformeerd over de beslissing en het verdere verloop van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.