De zaak betreft een burengeschil tussen [eiser] en [eiseres] enerzijds en [gedaagde] anderzijds over de ligging van de erfgrens tussen hun percelen en over de afwatering. [Eiser] en [eiseres] vorderen dat de juridische erfgrens gelijk is aan de kadastrale erfgrens, terwijl [gedaagde] stelt dat de erfgrens door verjaring in het midden van een gedempte sloot ligt.
De rechtbank oordeelt dat de erfgrens de kadastrale erfgrens is, omdat [gedaagde] niet het vereiste bezit heeft verkregen voor verkrijgende of bevrijdende verjaring. Ook is geen erfdienstbaarheid ontstaan voor afwatering via drie plastic buizen, omdat het gebruik daarvan niet voldoende is onderbouwd en het afwateren via buizen geen natuurlijke afwatering betreft.
Verder wijst de rechtbank vorderingen af over eigendom van hagen en grond die niet duidelijk op basis van de kadastrale erfgrens vastgesteld kunnen worden. Partijen worden verplicht elkaars perceel niet te betreden zonder toestemming, en dwangsommen worden opgelegd om naleving van het vonnis te waarborgen.
[Gedagde] wordt veroordeeld tot verwijdering van bouwwerken en spullen op het perceel van [eiser] en [eiseres] binnen veertien dagen na inmeting van de erfgrens door het Kadaster. Ook moeten camera’s die het perceel van [gedaagde] in beeld brengen verwijderd worden door [eiser] en [eiseres]. Proceskosten worden aan [gedaagde] opgelegd.