Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2023:7665

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 juni 2023
Publicatiedatum
22 april 2024
Zaaknummer
C/16/555537
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 1:212 BWArt. 1:250 BWArt. 1:253g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming erkenning en voogdij vader na overlijden moeder

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 29 juni 2023 een zaak waarin de moeder, die het gezag over het kind had, was overleden. De vader had het kind niet erkend, maar verzorgt het kind sinds het overlijden van de moeder. De bijzondere curator verzocht om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, maar trok dit verzoek in tijdens de zitting.

De vader vroeg vervangende toestemming om het kind te erkennen, aangezien de moeder door overlijden geen toestemming meer kon geven. De rechtbank oordeelde dat het in het belang van het kind is dat de vader officieel als ouder wordt erkend, omdat hij het kind verzorgt en opvoedt en het goed gaat met het kind. Er was geen aanwijzing dat erkenning de ontwikkeling van het kind zou schaden.

Daarnaast besloot de rechtbank ambtshalve de vader te belasten met de voogdij over het kind en dat hij het ouderlijk gezag zal verkrijgen zodra hij juridisch vader wordt. Hiermee vervalt de tijdelijke voogdij van de gecertificeerde instelling. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor erkenning aan de vader en belast hem met de voogdij over het kind, met ouderlijk gezag vanaf erkenning.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/555537 / FO RK 23-473 (erkenning en voogdij)
Beschikking van 29 juni 2023
in de zaak van:
mr. M.A. DE BOER,
kantoorhoudende in Zeist,
in de hoedanigheid van bijzondere curator over het kind:
[minderjarige],
tegen
[de vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
met als belanghebbende:
Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd in Utrecht,
gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de bijzondere curator, binnengekomen op 7 april 2023;
  • de brief met bijlagen van de bijzondere curator van 13 juni 2023;
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 21 juni 2023.
1.2.
De rechtbank heeft [minderjarige] om zijn mening gevraagd over de verzoeken. [minderjarige] heeft op 29 juni 2023 met de kinderrechter gesproken.
1.3.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 29 juni 2023. Daarbij waren aanwezig:
  • de man;
  • de bijzondere curator;
  • mevrouw [A] namens de Raad;
  • mevrouw [B] en mevrouw [C] namens de GI.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
Het gaat in deze zaak om de minderjarige:
[minderjarige]is geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] .
2.2.
De moeder van [minderjarige] is:
[de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1971 in [geboorteplaats 2] .
2.3.
De moeder is overleden op [overlijdensdatum] 2022 in [overlijdingsplaats] .
2.4.
De moeder en de man hebben een relatie gehad en samen twee kinderen gekregen. [minderjarige] heeft nog een meerderjarige zus:
[zus] ,geboren op [geboortedatum 3] 2005 in [geboorteplaats 1] . Het gaat in deze zaak niet om [zus] .
2.5.
Sinds het overlijden van de moeder woont [minderjarige] bij de man. De man heeft [minderjarige] niet erkend.
2.6.
De moeder had tot haar overlijden alleen het gezag over [minderjarige] .
2.7.
Bij beschikking van deze rechtbank van 13 januari 2023 is de GI belast met de tijdelijke voogdij over [minderjarige] .
2.8.
Bij beschikking van 14 februari 2023 heeft deze rechtbank ambtshalve mr. M.A. de Boer benoemd als bijzondere curator over [minderjarige] in de afstammingszaak op grond van artikel 1:212 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en als bijzondere curator op grond van artikel 1:250 BW Pro.
2.9.
De bijzondere curator verzoekt de rechtbank om het ouderschap van de man over [minderjarige] gerechtelijk vast te stellen.
2.10.
De man heeft tijdens de zitting verzocht om aan hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen.

3.De beoordeling

Gerechtelijke vaststelling vaderschap
3.1.
De bijzondere curator heeft tijdens de zitting het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man ingetrokken, zodat de rechtbank daarover geen beslissing meer hoeft te nemen.
Vervangende toestemming erkenning
De conclusie
3.2.
De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen en aan hem vervangende toestemming verlenen om [minderjarige] te erkennen. De rechtbank licht dit hierna toe.
Het wettelijk kader
3.3.
Tussen de moeder en de man stond vast dat de man de verwekker is van [minderjarige] . De moeder en de man hebben een relatie met elkaar gehad. Uit het Raadsrapport blijkt dat de familie van de moeder en de man er ook vanuit gaat dat de man de verwekker is van [minderjarige] .
3.4.
Het uitgangspunt van de wet is dat zowel het kind als de verwekker er recht op hebben dat hun familieband officieel wordt vastgelegd. De verwekker kan de rechtbank vragen om de toestemming van de moeder voor de erkenning te vervangen, wanneer de moeder geen toestemming wil geven. In dit geval is er geen sprake van onwil, maar kan de moeder geen toestemming meer geven door haar overlijden. Ook in deze situatie is artikel 1:204 lid 3 BW Pro van toepassing. Dit betekent dat de rechtbank alleen kan weigeren om vervangende toestemming te geven voor de erkenning als een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt.
De toelichting
3.5.
De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat officieel wordt vastgelegd wie zijn vader is. Alle partijen zijn het erover eens dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Sinds het overlijden van de moeder woont [minderjarige] samen met zijn zus [zus] bij de man en wordt door hem verzorgd en opgevoed. Hoewel er in het begin nog wat zorgen waren, gaat het steeds beter met [minderjarige] . Volgens de GI gaat het ook goed op school en voelt [minderjarige] zich steeds meer thuis bij de man. De bijzondere curator en de Raad zijn het eens met het verzoek. Niet is gebleken dat de erkenning door de man de ontwikkeling van [minderjarige] zal schaden. De rechtbank wijst daarom het verzoek toe.
Informatie voor de vader
3.6.
Door deze beslissing is de erkenning nog niet officieel geregeld. De rechtbank geeft namelijk alleen toestemming voor de erkenning die de toestemming van de moeder vervangt.
Dit betekent dat de man (drie maanden na deze beschikking) nog naar de gemeente zal moeten gaan om de erkenning officieel te regelen. [minderjarige] moet dan ook toestemming geven voor de erkenning omdat hij ouder is dan twaalf jaar.
Voogdij en gezag
De conclusie
3.7.
De rechtbank zal ambtshalve beslissen dat de man vanaf nu belast is met de voogdij over [minderjarige] en dat hij ouderlijk gezag heeft over [minderjarige] vanaf het moment dat hij de juridische vader is van [minderjarige] .
Het wettelijk kader
3.8.
Op grond van artikel 1:253g BW kan de rechtbank – indien van de ouders diegene overlijdt die het gezag over een kind alleen uitoefent – bepalen dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over het kind wordt belast. De rechtbank kan dit ook ambtshalve beslissen.
De toelichting
3.9.
De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat de man wordt belast met de voogdij/het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Sinds het overlijden van de moeder woont [minderjarige] samen met zijn zus [zus] bij de man en de man zorgt voor hem. [minderjarige] voelt zich thuis bij de man en doet het ook goed op school. De rechtbank vindt het daarom in het belang van [minderjarige] dat de man de belangrijke beslissingen over hem kan nemen. Omdat de man nog niet de juridische vader is van [minderjarige] , zal de rechtbank de man ambtshalve belasten met de voogdij over hem. Zodra de man [minderjarige] heeft erkend en hij de juridische vader is van [minderjarige] , zal hij van rechtswege het ouderlijk gezag over [minderjarige] uitoefenen. De rechtbank zal dit zo opnemen in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
ontslaat de GI als tijdelijke voogd over [minderjarige] ;
4.2.
belast
[de vader], geboren op [geboortedatum 4] 1972 in [geboorteplaats 3] , Marokko, met de voogdij over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] , en beslist daarbij dat de man van rechtswege ouderlijk gezag heeft over [minderjarige] vanaf het moment dat hij de juridische vader van [minderjarige] zal zijn;
4.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
verleent aan
[de vader], geboren op [geboortedatum 4] 1972 in [geboorteplaats 3] , Marokko, vervangende toestemming om te erkennen het kind:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] .
De beslissing is mondeling gegeven op 29 juni 2023 door mr. M.C. Oostendorp, kinderrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 3 juli 2023.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.