De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van de gezaghebbende ouders om de voornaam en het geslacht van hun minderjarige kind in de geboorteakte te wijzigen van mannelijk naar vrouwelijk. De ouders en het kind hebben de Nederlandse nationaliteit en wonen in dezelfde gemeente. Het verzoek werd ingediend omdat het kind zich al lange tijd identificeert als meisje en sinds jonge leeftijd meisjesvoorkeuren heeft, ondersteund door medische begeleiding en schoolkeuze.
De rechtbank overwoog dat hoewel de huidige wetgeving een wijziging van geslachtsregistratie pas toestaat vanaf zestien jaar, er maatschappelijke en wetgevende ontwikkelingen zijn die het mogelijk maken voor jongeren onder zestien jaar om via de rechter een wijziging te verkrijgen als dit in het belang van het kind is. De rechtbank sloot zich aan bij de lijn van de Hoge Raad en beoordeelde het verzoek op basis van de omstandigheden van het geval.
Uit het dossier en het gesprek met het kind bleek dat de vermelding van het mannelijke geslacht niet overeenkomt met haar innerlijke genderbeleving. De overtuiging van het kind is weloverwogen en bestendig, en zij is in staat de gevolgen te overzien. Het belang van het kind om zich als meisje te presenteren, zeker met het oog op haar aanstaande middelbare school en verblijf in het buitenland, werd zwaar meegewogen.
De rechtbank besloot het verzoek toe te wijzen en gelastte de ambtenaar van de burgerlijke stand om de geboorteakte te verbeteren met de nieuwe voornaam en het vrouwelijke geslacht. De beslissing is niet uitvoerbaar bij voorraad, omdat de aanpassing pas kan plaatsvinden na onherroepelijkheid. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.