In deze civiele zaak vordert eiser betaling van een openstaand bedrag van €1.433,41 voor de buitenschoolse opvang van de zoon van gedaagde, plus rente en proceskosten. Gedaagde erkent de hoofdsom, maar wenst een betalingsregeling te treffen en betwist de verplichting tot betaling van de proceskosten, stellende dat zij voorafgaand aan de dagvaarding meerdere pogingen heeft gedaan om onderling tot een regeling te komen.
De kantonrechter oordeelt dat de hoofdsom onbetwist is en toewijst dat bedrag aan eiser. De rechtbank wijst erop dat zij niet bevoegd is een betalingsregeling op te leggen zonder instemming van eiser, maar gedaagde kan na het vonnis alsnog contact zoeken voor een regeling.
De kern van het geschil betreft de proceskosten. Gedaagde wordt in de gelegenheid gesteld om bij akte bewijsstukken, zoals e-mailcorrespondentie, aan te leveren waaruit blijkt dat zij herhaaldelijk heeft geprobeerd een betalingsregeling te treffen vóór de dagvaarding. De zaak wordt aangehouden tot na deze akte, waarna eiser in de gelegenheid wordt gesteld een antwoordakte te nemen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.