ECLI:NL:RBMNE:2023:7688

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 juni 2023
Publicatiedatum
30 april 2024
Zaaknummer
10341691 \ AC EXPL 23-397
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:29 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering buitenschoolse opvang en proceskosten geschil

In deze civiele zaak vordert eiser betaling van een openstaand bedrag van €1.433,41 voor de buitenschoolse opvang van de zoon van gedaagde, plus rente en proceskosten. Gedaagde erkent de hoofdsom, maar wenst een betalingsregeling te treffen en betwist de verplichting tot betaling van de proceskosten, stellende dat zij voorafgaand aan de dagvaarding meerdere pogingen heeft gedaan om onderling tot een regeling te komen.

De kantonrechter oordeelt dat de hoofdsom onbetwist is en toewijst dat bedrag aan eiser. De rechtbank wijst erop dat zij niet bevoegd is een betalingsregeling op te leggen zonder instemming van eiser, maar gedaagde kan na het vonnis alsnog contact zoeken voor een regeling.

De kern van het geschil betreft de proceskosten. Gedaagde wordt in de gelegenheid gesteld om bij akte bewijsstukken, zoals e-mailcorrespondentie, aan te leveren waaruit blijkt dat zij herhaaldelijk heeft geprobeerd een betalingsregeling te treffen vóór de dagvaarding. De zaak wordt aangehouden tot na deze akte, waarna eiser in de gelegenheid wordt gesteld een antwoordakte te nemen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: Hoofdsom van €1.433,41 toegewezen; beslissing over proceskosten aangehouden voor bewijslevering door gedaagde.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10341691 \ AC EXPL 23-397
Vonnis van 28 juni 2023
in de zaak van
[eiser],
Gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: TeRecht deurwaarders,
tegen
[gedaagde],
Wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 de dagvaarding met producties 1 tot en met 6;
 de conclusie van antwoord met bijlagen;
 de mondelinge behandeling van 31 mei 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.

2.De beoordeling

De kern van de zaak
2.1.
[gedaagde] heeft met [eiser] een overeenkomst gesloten op basis waarvan [gedaagde] haar zoon naar de buitenschoolse opvang van [eiser] mag brengen. [gedaagde] betaalt hiervoor een bedrag van € 368,94 per maand. In de periode van maart 2022 tot en met juni 2022 heeft [gedaagde] de maandelijkse kosten niet betaald. Het gaat om een totaalbedrag van € 1.433,41.
2.2.
[eiser] vordert dat [gedaagde] bij vonnis wordt veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, om een bedrag van € 1.721,23 (hoofdsom inclusief rente en kosten) te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 9 februari 2023 over de hoofdsom van € 1.433,41, of in ieder geval te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag dat het bedrag volledig betaald is. Ook wil [eiser] dat [gedaagde] haar proceskosten betaalt.
2.3.
[gedaagde] erkent de hoofdsom van € 1.433,41. Voor het afbetalen daarvan wenst [gedaagde] een betalingsregeling te treffen. Voor wat betreft de gevorderde proceskosten strekt de conclusie van [gedaagde] tot afwijzing ervan, omdat zij voldoende haar best heeft gedaan om onderling met [eiser] tot een oplossing te komen.
2.4.
De vraag die daarom centraal staat is of [gedaagde] de proceskosten van [eiser] moet betalen.
Hoofdsom van € 1.433,41
2.5.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] het bedrag van € 1.433,41 (hoofdsom) moet betalen aan [eiser] , omdat vast is komen te staan dat [gedaagde] haar verplichting volgens de overeenkomst (betaling voor de buitenschoolse opvang) niet is nagekomen. Het staat tussen partijen niet meer ter discussie dat [gedaagde] het bedrag moet betalen. De door [eiser] gevorderde hoofdsom zal daarom worden toegewezen.
2.6.
De kantonrechter is volgens artikel 6:29 van Pro het Burgerlijk Wetboek niet bevoegd om zonder instemming van [eiser] een betalingsregeling vast te stellen. Uiteraard heeft [gedaagde] de mogelijkheid om (na het gewezen eindvonnis) contact op te nemen met (de gemachtigde van) [eiser] om eventueel alsnog een betalingsregeling af te spreken.
Proceskosten
2.7.
[gedaagde] stelt dat zij voldoende heeft gedaan om er onderling met [eiser] uit te komen, door meerdere keren te proberen om een betalingsregeling te treffen. Een gerechtelijke procedure had daarom volgens [gedaagde] voorkomen kunnen worden. Deze stelling is relevant voor de uitkomst van de te nemen beslissing over de proceskosten. Als dit juist is, kan dat reden zijn voor afwijzing van de gevorderde proceskosten.
2.8.
[eiser] heeft de stelling van [gedaagde] weersproken. Nu [gedaagde] in persoon procedeert, wordt zij in de gelegenheid gesteld om haar stelling - dat zij voorafgaande aan het uitbrengen van de dagvaarding op 15 februari 2023 meerdere keren heeft geprobeerd om een betalingsregeling te treffen - nader te onderbouwen en zo nodig bewijzen. Of een bewijsopdracht gegeven zal worden, hangt af van de stukken die [gedaagde] in de procedure kan brengen en de reactie hierop van [eiser] .
Uitlating bij akte door [gedaagde]
2.9.
wordt dan ook eerst in de gelegenheid gesteld om bij akte stukken (zoals de gevoerde e-mailcorrespondentie) in de procedure te brengen, waaruit volgt dat zij vóór 15 februari 2023 herhaaldelijk geprobeerd heeft om een betalingsregeling te treffen met [eiser] , dan wel met de deurwaarder met betrekking tot de vordering van [eiser] .
2.10.
Stukken die betrekking hebben op andere incassozaken, zoals met [A] , zijn in deze procedure niet van belang en hoeven niet te worden ingebracht. Dit is ook niet het geval als er door [gedaagde] in die andere incassozaken werd gecommuniceerd met hetzelfde incassobureau en/of dezelfde deurwaarder als in deze zaak.
2.11.
De rechtbank verwijst de zaak hiertoe naar de rol. Aansluitend zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld een antwoordakte te nemen.
2.12.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 26 juli 2023voor het nemen van een akte door [gedaagde] over wat is vermeld onder 2.9 en 2.10, waarna de [eiser] op de rol van vier weken daarna, op 23 augustus 2023, een antwoordakte kan nemen.
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2023.