Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
(hierna: verdachte).
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde de zaak van een 26-jarige vrouw die werd verdacht van medeplichtigheid aan de invoer van circa 186 kilo cocaïne vermengd met cacao. Het bedrijf en de bankrekening die gebruikt werden voor de invoer stonden op naam van verdachte. De officier van justitie stelde dat verdachte opzet had op het ter beschikking stellen van haar bedrijf en bankrekening voor deze drugssmokkel.
Verdachte en haar raadsvrouw betwistten dit en stelden dat zij geen weet had van de cocaïne-invoer en dat er geen bewijs was dat zij bewust haar bedrijf en bankrekening daarvoor ter beschikking had gesteld. Uit het dossier bleek dat de cocaïne werd aangetroffen in een partij cacao die via het bedrijf van verdachte was ingevoerd, en dat betalingen via haar bankrekening waren verricht.
De rechtbank oordeelde dat hoewel het ter beschikking stellen van het bedrijf en de bankrekening verdacht was, niet buiten redelijke twijfel kon worden vastgesteld dat verdachte wist van het gebruik voor drugssmokkel. Er was geen overtuigend bewijs dat zij bewust de aanmerkelijke kans op invoer van cocaïne had aanvaard. Daarom werd verdachte vrijgesproken van medeplichtigheid aan de invoer van cocaïne.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van medeplichtigheid aan de invoer van 186 kilo cocaïne wegens onvoldoende bewijs van opzet.