AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring administratief beroep inzake afgifte bevoegdheidsdocument wapenverlof
Eiser had in 2017 een wapenverlof toegekend gekregen na een eerdere weigering. In 2021 verzocht hij om het bijbehorende bevoegdheidsdocument, maar de korpschef gaf in januari 2022 aan dat hij niet aan de eisen voldeed en dat hij een nieuwe aanvraag moest indienen. Eiser stelde hiertegen administratief beroep in bij de minister, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat de brief van de korpschef geen besluit in de zin van artikel 1:3 AwbPro was.
De rechtbank oordeelt dat de brief van 19 januari 2022 geen besluit is omdat het geen rechtsgevolg heeft; het betreft een reactie op een verzoek om een feitelijke handeling. De eerdere toekenning van het wapenverlof door de minister in 2017 is het geldige besluit. De korpschef hoeft geen nieuw besluit te nemen over het bevoegdheidsdocument, dat slechts een feitelijk document is.
Hoewel de brief een rechtsmiddelenclausule bevatte en daarmee de indruk wekte een besluit te zijn, verandert dit niets aan het feit dat het geen besluit is volgens de Awb. De rechtbank wijst erop dat het wapenverlof slechts een jaar geldig is en dat de geldigheidsduur vanaf het besluit in 2017 is gaan lopen, waardoor eiser momenteel geen geldig wapenverlof heeft.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het griffierecht af en geeft geen proceskostenvergoeding. Eiser wordt geadviseerd een nieuwe aanvraag in te dienen indien hij een wapenverlof wil verkrijgen.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat de brief van de korpschef geen besluit is en het administratief beroep daarom niet-ontvankelijk is.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4350
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Jethoe),
en
de Minister van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. E. Spekreijse).
Inleiding
1. Op 26 juli 2016 heeft de Korpschef van de Politie (de korpschef) geweigerd om aan eiser een wapenverlof te verlenen. Naar aanleiding van het administratief beroep tegen die beslissing heeft de (destijds bevoegde) Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (de staatssecretaris) bij besluit van 6 september 2017 alsnog een wapenverlof aan eiser verleend en de korpschef opgedragen om aan eiser het daarbij behorende bevoegdheidsdocument te verstrekken.
2. Op 3 december 2021 heeft eiser de korpschef gevraagd om dat bevoegdheidsdocument af te geven. Op 19 januari 2022 heeft de korpschef aan eiser medegedeeld dat hij destijds het bevoegdheidsdocument niet heeft gekregen, omdat hij niet aan de eisen voldeed. Daarnaast heeft de korpschef hem erop gewezen dat als hij nu in aanmerking wil komen voor een wapenverlof hij daartoe een aanvraag moet indienen. Eiser was het hiermee oneens en heeft administratief beroep ingesteld bij de minister. De minister heeft eiser bij besluit van 28 juli 2022 niet-ontvankelijk verklaard in zijn administratief beroep, omdat de brief van 19 januari 2022 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen openstaan.
3. Eiser is tegen dat besluit in beroep gegaan. De minister heeft op dat beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 14 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
4. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. [1] Met een ‘rechtshandeling’ wordt een handeling gericht op rechtsgevolg bedoeld. Een beslissing heeft rechtsgevolg als zij erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor één of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, of om de juridische status van een persoon of zaak vast te stellen. [2]
5. De rechtbank is van oordeel dat de brief van de korpschef van 19 januari 2022 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 vanPro de Awb, omdat deze brief niet op rechtsgevolg is gericht. Op 6 september 2017 heeft de minister (destijds de staatssecretaris) een besluit genomen, waarbij aan eiser een wapenverlof is toegekend. Aan die brief zit dus een rechtsgevolg verbonden. De daadwerkelijke verstrekking van een bevoegdheidsdocument is een feitelijke handeling. Het verzoek van eiser om alsnog tot afgifte hiervan over te gaan is dan ook een verzoek om een feitelijke handeling te verrichten en geen verzoek om een besluit te nemen. De brief van 19 januari 2022 is vervolgens een reactie op dat verzoek om een feitelijke handeling te verrichten. Die brief heeft dus geen rechtsgevolg en is dus ook geen besluit in de zin van artikel 1:3 vanPro de Awb waartegen (administratief) beroep openstaat.
6. Eiser heeft nog aangevoerd dat alleen de korpschef bevoegd is om een wapenverlof te verlenen [3] en dat aangezien de korpschef bij brief van 19 januari 2022 voor het eerst daarover een standpunt inneemt, die brief een besluit is. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het klopt dat het in eerste instantie aan de korpschef is om een wapenverlof te verlenen, maar vervolgens is er administratief beroep mogelijk bij de minister (destijds de staatssecretaris). Het is aan de minister om een besluit te nemen op het administratief beroep. Als het beroep ontvankelijk en gegrond is, dan vernietigt de minister het besluit van de korpschef en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit. [4] Dat heeft de staatssecretaris hier destijds gedaan met het besluit van 6 september 2017, waarbij er aan eiser een wapenverlof is verleend. Er lag dus een besluit van een daartoe bevoegd bestuursorgaan. Het is dan ook niet zo dat de korpschef nog een besluit moest nemen over het verlenen van een wapenverlof. Ook is het niet zo dat de korpschef een apart besluit moest nemen over het verstrekken van het bevoegdheidsdocument. Zoals eiser zelf ook zegt, is het bevoegdheidsdocument immers alleen het feitelijke papier waarop het wapenverlof staat.
7. Eiser heeft er verder nog op gewezen dat uit de brief van 19 januari 2022 en uit de beantwoording door de korpschef van vragen van de minister blijkt dat de korpschef een besluit heeft genomen. De rechtbank ziet ook dat de inhoud van de brief en de vermelding van een rechtsmiddelenclausule daarop het beeld van een besluit oproept. Dat is kwalijk, want daardoor is het logisch dat bij eiser het idee is ontstaan dat er dus een rechtsingang voor hem bestond. De beantwoording van de vragen versterkt dit idee alleen maar. Hoewel dit kwalijk is, betekent dit tegelijkertijd niet dat de brief daardooreen besluit in de zin van artikel 1:3 vanPro de Awb is. Daarvoor moet het gaan om een beslissing met rechtsgevolg en daarvan is – zoals hierboven overwogen – geen sprake.
8. Dat betekent kortom dat de brief van 19 januari 2022 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 vanPro de Awb waartegen (administratief) beroep openstond. De minister heeft het administratief beroep van eiser tegen deze brief daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
9. In het belang van partijen merkt de rechtbank ten overvloede nog wel op dat wat de uitkomst van deze procedure ook zou zijn geweest, dit er niet toe leidt dat eiser op dit moment automatisch een wapenverlof heeft. De minister zegt namelijk terecht dat het wapenverlof maar een jaar geldig is en er daarna altijd – ook bij een verlenging – een nieuwe beoordeling plaatsvindt. [5] Dat jaar is hier gaan lopen vanaf het besluit van 6 september 2017 waarbij het wapenverlof is verleend en zou niet – zoals eiser stelt – pas gaan lopen op het moment dat hij alsnog het bevoegdheidsdocument in handen zou hebben. Het jaar is dus sowieso voorbij. Dat betekent dat zelfs als er zou zijn of worden vastgesteld dat het bevoegdheidsdocument destijds ten onrechte niet aan eiser is gegeven, dit er niet toe kan leiden dat eiser nu over een geldig wapenverlof beschikt. Gelet daarop, geeft de rechtbank aan eiser mee dat als hij een wapenverlof wil, hij daartoe een aanvraag moet indienen. Mocht er vervolgens een besluit worden genomen waarmee eiser het oneens is, dan kan hij daartegen (administratief) beroep instellen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:754.
3.Gelet op artikel 28, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (WWM).