ECLI:NL:RBMNE:2023:854
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid last onder dwangsom wegens onvoldoende bewijs drugshandel
Eiser werd door de burgemeester een last onder dwangsom opgelegd wegens vermeende overtreding van artikel 2:45 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht, omdat hij zich op een openbare plaats zou hebben opgehouden met het kennelijke doel drugs te verhandelen. Dit was gebaseerd op een bestuurlijke rapportage waarin bij een controle drugs en meerdere telefoons bij eiser en anderen werden aangetroffen.
Eiser ontkende drugshandel en gaf een verklaring over het bezit van drie telefoons en zijn aanwezigheid op de locatie. De burgemeester handhaafde het besluit na bezwaar, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de burgemeester onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat eiser het kennelijke doel had drugs te verhandelen. De enkele aanwezigheid van een blokje hasj, drie telefoons en tegenstrijdige verklaringen waren onvoldoende. Ook het verleden van eiser en de aangetroffen cocaïne bij anderen rechtvaardigden dit niet. Daarom was de last onder dwangsom onrechtmatig en werd het besluit vernietigd.
De rechtbank bepaalde dat het primaire besluit werd herroepen, de burgemeester het griffierecht aan eiser moest vergoeden en proceskosten aan eiser moest betalen. Tevens werd een redelijke vergoeding toegekend voor de reis- en verletkosten van eisers gemachtigde moeder.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het last onder dwangsombesluit wegens onvoldoende bewijs voor overtreding van artikel 2:45 APV.