Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
proces-verbaal van aangiftezakelijk weergegeven – het volgende verklaard: [2]
proces-verbaal van verhoor getuige– zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: [3]
proces-verbaal van verhoor verdachte– zakelijk weergeven – het volgende verklaard: [4]
proces-verbaal van bevindingen(met bijlagen, zijnde berichten van Facebook Messenger) is onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd: [5]
proces-verbaal van bevindingenis onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd: [6]
als ik je toen rechtstreeks had gevraagd of je dit deed omdat je werd lastig gevallen door deze of gene, dan had je dat waarschijnlijk direct ontkent al was het maar uit schaamte, daarom ik nog even verder aan te dringen om zo een duidelijker beeld te krijgen, maar je heftige reakties maakte mij duidelijk, of je sloot je totaal af, of ik zat op het verkeerde spoor en besloot te stoppen met deze achteraf geziene belachelijke actie (…)”Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij die avond alleen maar een vraag aan aangever heeft gesteld, te weten waarom hij zijn kleren aanhield in bed. De rechtbank leidt echter uit de hiervoor aangehaalde berichten af dat er wel degelijk meer heeft plaatsgevonden dan slechts het stellen van die vraag. De inhoud van het bericht duidt er eerder op dat verdachte in zijn geheel niets aan aangever heeft gevraagd (“
alsik je toen rechtstreeks had gevraagd”), maar bij aangever ergens op heeft “aangedrongen” en zijn handelen achteraf bezien als “belachelijk” omschrijft. Daar komt bij dat als verdachte die avond aan aangever inderdaad slechts de normale vraag zou hebben gesteld waarom hij zijn kleding nog aan had, het bijna niet voorstelbaar is dat hij zich dat twaalf jaar later nog zou hebben herinnerd als iets opmerkelijks. Ook daarin ziet de rechtbank een aanwijzing dat er die avond meer is gebeurd dan het stellen van een vraag, mocht daarvan al sprake zijn.
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BENADEELDE PARTIJ
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden;
gedeelte van 4 (vier) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast;
- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 8.750,00, bestaande uit een vergoeding van € 8.750,00 aan immateriële schade;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2007 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 8.750,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2007 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 78 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.