ECLI:NL:RBMNE:2023:999
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging Ziektewet-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker, voormalig bezorger, meldde zich ziek en ontving vanaf januari 2021 een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 2 maart 2022 omdat verzoeker meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen. Na bezwaar werd de uitkering per augustus 2022 voortgezet, maar in december 2022 werd het bezwaar alsnog ongegrond verklaard en de uitkering beëindigd per 2 januari 2023.
Verzoeker stelde beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting bleek dat verzoeker niet over alle processtukken beschikte, waarop de voorzieningenrechter besloot geen onmiddellijke uitspraak te doen en verzoeker gelegenheid gaf aanvullende medische stukken in te dienen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat bij financiële geschillen niet snel sprake is van spoedeisend belang, tenzij er acute financiële nood of een onomkeerbare situatie is. Verzoeker had onvoldoende onderbouwd dat hij in financiële nood verkeerde en ontving de uitkering nog tot januari 2023. Ook was het bestreden besluit niet evident onrechtmatig.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.R. van Es-de Vries op 1 maart 2023 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de Ziektewet-uitkering is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.