De heffingsambtenaar legde op 31 juli 2021 een aanslag zuiveringsheffing bedrijven van €585,62 op voor het belastingjaar 2019 aan eiser, eigenaar van een kantoorverzamelgebouw. Eiser ging in bezwaar tegen de aanslag, dat bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
Eiser voerde aan dat de aanslag ten onrechte aan hem was opgelegd omdat hij eigenaar is en de kantoorruimtes zelfstandige, afsluitbare ruimtes met eigen voorzieningen zouden zijn. De heffingsambtenaar stelde dat eiser delen van het gebouw in gebruik heeft gegeven en daarom belastingplichtig is. De rechtbank volgde dit standpunt en oordeelde dat de kantoorruimtes geen zelfstandige objecten zijn vanwege het ontbreken van essentiële voorzieningen en het gezamenlijke gebruik van vluchtwegen, gangen en toiletten.
Daarnaast verzocht eiser om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateerde een overschrijding van ongeveer 7 maanden, maar verlengde de redelijke termijn met 12 maanden vanwege de beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde van eiser, waardoor de overschrijding aan eiser kan worden toegerekend. Hierdoor werd het verzoek afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter J.R. van Es-de Vries op 1 maart 2024.