Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
€ 135,00
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een kort geding waarin eiser, een besloten vennootschap, vordert dat gedaagde de gehuurde woning binnen 14 dagen na betekening ontruimt. De huurovereenkomst betrof een huur voor bepaalde tijd, ingaande 18 januari 2022 en eindigend op 1 januari 2024. Eiser heeft gedaagde tijdig schriftelijk geïnformeerd over het einde van de huurovereenkomst met een brief van 24 november 2023, waarin tevens een aanzegging werd gedaan.
Gedaagde betwist de rechtsgeldigheid van de aanzegging en stelt dat er sprake is van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd vanwege een gebrekkige aanzegging. Tevens voert zij aan dat het boetebeding onredelijk is en dat zij met haar minderjarig kind op straat komt te staan.
De kantonrechter oordeelt dat de aanzegging conform artikel 7:271 lid 1 BW Pro correct en tijdig is gedaan, waardoor de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd op 1 januari 2024. De omstandigheden van gedaagde en haar kind bieden onvoldoende grond om de ontruimingsvordering af te wijzen. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen met een termijn van 14 dagen na betekening, en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen 14 dagen na betekening van het vonnis.