ECLI:NL:RBMNE:2024:118

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 januari 2024
Publicatiedatum
16 januari 2024
Zaaknummer
567994 / HA RK 23-246
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 39 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring wrakingsverzoek tegen rechter in faillissementsprocedure

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die de faillissementszitting behandelde, stellende dat de rechter suggestieve vragen stelde, de zaak zodanig behandelde dat dit automatisch tot faillietverklaring zou leiden, en dat het geschil niet thuishoorde bij de afdeling Toezicht.

De rechter ontkende suggestieve vraagstelling en vooringenomenheid en gaf aan dat hij nog geen beslissing had genomen over het faillissementsverzoek of een aanhouding van de zaak. De wrakingskamer onderzocht het verzoek aan de hand van het proces-verbaal en de schriftelijke reactie van de rechter.

De wrakingskamer vond geen aanwijzingen dat de rechter onpartijdigheid had geschonden. De vraagstelling was niet suggestief, de behandeling van de zaak was neutraal en het feit dat de zaak bij de afdeling Toezicht werd behandeld, impliceerde geen vooringenomenheid.

Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard. Tevens werd een wrakingsverbod opgelegd om misbruik van het wrakingsmiddel te voorkomen en de voortgang van de procedure te waarborgen.

De procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij de schorsing door het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is ongegrond verklaard en een wrakingsverbod is opgelegd.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 567994 / HA RK 23-246
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van16 januari 2024
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoekster], gevestigd in [vestigingsplaats]
gemachtigde: [A]
(hierna: verzoekster).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 het proces-verbaal van de faillissementszitting van 27 december 2023 met daarin opgenomen het wrakingsverzoek;
 de reactie van mr. K.G. van de Streek (hierna: de rechter) van 4 januari 2024.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 9 januari 2024 met gesloten deuren behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (hierna: de wrakingskamer).
Bij de mondelinge behandeling is verzoekster verschenen. De rechter is met voorafgaand bericht niet verschenen.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen de rechter als behandelend rechter in de zaak met het rekestnummer FT RK 23/763.
2.2.
Verzoekster heeft drie redenen ten grondslag gelegd aan het wrakingsverzoek. In de eerste plaats was de vraagstelling van de rechter op de zitting van 27 december 2023 volgens verzoekster suggestief. Ten tweede vindt verzoekster dat de wijze waarop de zaak door de rechter wordt behandeld automatisch leidt tot faillietverklaring, omdat daarbij geen mogelijkheid bestaat om op de gang onderling te overleggen over een mogelijke regeling. In de derde plaats vindt verzoekster dat het geschil tussen [naam] N.V. (hierna: belanghebbende) en haar niet thuishoort bij de afdeling Toezicht van de rechtbank.
2.3.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie stelt hij zich op het standpunt dat hij naar zijn vaste overtuiging op geen enkele manier suggestief is geweest in zijn vraagstelling. Hij heeft aan beide partijen vragen gesteld over de vordering en de steunvordering. Daarbij heeft hij vooral ook richting belanghebbende meer kritische vragen gesteld over wat zij precies met een eventueel uit te spreken faillissement beoogde en naar de status van de beweerde steunvordering.
Ook in de wijze van behandeling ziet de rechter geen enkele blijk van vooringenomenheid of dat er vrees kon ontstaan dat hij niet onpartijdig is. Hij heeft beide partijen aan het woord gelaten en aan beide partijen vragen gesteld. Hij vermoedt dat verzoekster heeft bedoeld dat, omdat de zitting via een Teams-verbinding plaatsvond, partijen niet de gang op konden om een regeling te treffen. Maar ook als de zitting fysiek in de rechtbank zou zijn geweest zou daarvoor geen ruimte zijn geweest. De oplossing die tijdens faillissementszittingen hiervoor vaak wordt gekozen is het voor één of meerdere weken aanhouden van de zaak, zodat partijen in de tussentijd kunnen onderhandelen. In deze zaak is de rechter door het wrakingsverzoek nog niet aan een beoordeling van een eventueel verzoek tot aanhouding toegekomen.
De rechter schrijft in zijn reactie ook dat hij nog niet aan een beoordeling van het faillissementsverzoek is toegekomen en hij naar zijn overtuiging ook geen blijk heeft gegeven van welke kant de beslissing op zou gaan. Hij had die beslissing simpelweg nog niet genomen.

3.De beoordeling

Het beoordelingskader
3.1.
Elke rechter die een zaak behandelt kan op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. [1]
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn als uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.
Waren de vragen van de rechter suggestief?
3.3.
Het proces-verbaal van de zitting van 27 december 2023 (hierna: het proces-verbaal) geeft de wrakingskamer geen aanknopingspunten dat de vragen die de rechter heeft gesteld suggestief waren. Daarbij neemt de wrakingskamer in aanmerking dat verzoekster op de zitting van de wrakingskamer geen opmerkingen had over het proces-verbaal en heeft aangegeven dat de rechter in zijn schriftelijke reactie de gang van zaken op de zitting van
27 december 2023 op juiste wijze heeft beschreven. Naar het oordeel van de wrakingskamer blijkt uit het proces-verbaal dat de rechter aan beide partijen vragen heeft gesteld over de vordering en de steunvordering. De rechter heeft de kritische vragen juist gesteld aan belanghebbende en niet aan verzoekster. Uit de vraagstelling door de rechter blijkt geen (schijn van) partijdigheid van de rechter.
De wijze waarop de zaak door de rechter wordt behandeld
3.4.
Ook de wijze waarop de zaak door de rechter wordt behandeld leidt naar het oordeel van de wrakingskamer niet tot de conclusie dat de rechter vooringenomen of partijdig is of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. In het proces-verbaal klinkt geen oordeel over de zaak door. Zoals de rechter ook heeft aangegeven in zijn schriftelijke reactie, heeft hij ook nog geen beslissing kunnen nemen over het wel of niet aanhouden van de zaak om onderling overleg mogelijk te maken. Voor dat punt op de zitting aan de orde kon komen had verzoekster de rechter al gewraakt.
Behandeling verzoek door de afdeling Toezicht
3.5.
Belanghebbende heeft ervoor gekozen om een faillissementsverzoek tegen verzoekster in te dienen bij de afdeling Toezicht. De rechter die de faillissementszitting doet moet dit verzoek vervolgens behandelen en hierop beslissen. Dit kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat de rechter om die reden vooringenomen of partijdig is of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Conclusie
3.6.
De conclusie van het voorgaande is dat naar het oordeel van de wrakingskamer de onpartijdigheid van de rechter geen schade lijdt. Daarom zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.
Wrakingsverbod
3.7.
Op de zitting van de wrakingskamer is duidelijk geworden dat verzoekster blijft bij haar standpunt dat belanghebbende het geschil ten onrechte via een verzoek tot faillietverklaring bij de rechtbank aanhangig heeft gemaakt. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dit geen gegronde reden om gebruik te maken van het wrakingsmiddel. Daarom ziet de wrakingskamer aanleiding toepassing te geven aan artikel 39, vierde lid, Rv. Een volgend wrakingsverzoek van verzoekster dat betrekking heeft op de procedure met rekestnummer FT RK 23/763, zal niet in behandeling worden genomen. De reden hiervoor is dat in het belang van de voortgang van die procedure voorkomen moet worden dat verzoekster door een hernieuwd wrakingsverzoek misbruik maakt van het wrakingsmiddel.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoekster, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, en aan de betrokken teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkzaam is, en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekster met rekestnummer FT RK 23/763 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;
4.4.
bepaalt dat een volgend verzoek om wraking in de zaak met het rekestnummer
FT RK 23/763 niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. C.P. Lunter en
mr. C.S.K. Fung Fen Chung als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door
mr. I.C. de Zeeuw-‘t Lam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Artikel 36 Rv Pro.