ECLI:NL:RBMNE:2024:1221

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
3 maart 2024
Zaaknummer
16-177873-19
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet Werk en BijstandArt. 17 ParticipatiewetArt. 3 lid 3 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding en opzettelijke inlichtingenplichtschending bij uitkeringsfraude

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 27 februari 2024 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het opzettelijk niet verstrekken van gegevens aan de gemeente Lelystad in het kader van haar bijstandsuitkering over de periode van 2011 tot 2020.

De officier van justitie stelde dat verdachte een gezamenlijke huishouding voerde met medeverdachte en daarmee haar inlichtingenplicht schond. De verdediging betwistte dit en voerde aan dat niet bewezen kon worden dat sprake was van een gezamenlijke huishouding of opzet.

De rechtbank onderzocht de feiten, waaronder getuigenverklaringen, observaties, en materiële aanwijzingen zoals tandenborstels en waterverbruik. Hoewel er aanwijzingen waren voor samenwoning, oordeelde de rechtbank dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestond dat medeverdachte zijn hoofdverblijf had op het adres van verdachte of dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.

Ook kon niet worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk haar inlichtingenplicht had geschonden, mede omdat de gemeente haar niet had gewezen op deze verplichting en verdachte aannemelijke verklaringen gaf voor de situatie.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde uitkeringsfraude.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding en opzettelijke inlichtingenplichtschending.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.177873.19 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 februari 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 februari 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. L.E. Leeman en van hetgeen verdachte en haar raadsvrouw, mr. L. Noordanus, advocaat te Lelystad, naar voren hebben gebracht.

2.TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt erop neer dat verdachte:
in de periode van 12 september 2011 tot en met 11 februari 2020 te Lelystad in strijd met haar wettelijke verplichting opzettelijk heeft nagelaten de voor haar bijstandsuitkering benodigde gegevens te verstrekken, terwijl zij wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat de gegevens van belang waren voor de verstrekking van haar uitkering dan wel voor de hoogte van haar uitkering, immers heeft zij verzuimd aan de gemeente Lelystad te vermelden dat zij een gezamenlijke huishouding voerde of samenwoonde met [medeverdachte] .

3.VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.VRIJSPRAAK

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Uit het dossier blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van verdachte. Verdachte heeft opzettelijk haar inlichtingenplicht geschonden, omdat verdachte wist dat zij wijzigingen in haar situatie die van invloed konden zijn op haar recht op bijstand bij de gemeente moest melden. Verdachte heeft niet aan deze inlichtingenplicht voldaan.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit. Daartoe voert de raadsvrouw ten eerste aan dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding met [medeverdachte] .
Voor zover de rechtbank hier anders over oordeelt, kan niet worden bewezen dat verdachte de inlichtingenplicht heeft geschonden. Niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten de benodigde gegevens te verstrekken die van belang waren voor haar uitkering. Er was geen sprake van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt ten aanzien van de vraag of verdachte in de ten laste gelegde periode met [medeverdachte] een gezamenlijke huishouding met haar voerde als volgt. Artikel 3, derde lid, van de participatiewet (hierna: Pw) bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien (a) twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en (b) zij ook blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding, dan wel anderszins. Het hoofdverblijf van iemand ligt daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven ligt.
Uit het dossier blijkt dat er serieus te nemen aanwijzingen zijn dat verdachte in de ten laste gelegde periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [medeverdachte] . Zo hebben verschillende getuigen verklaard dat verdachte en [medeverdachte] met elkaar samenwoonden en is tijdens de observaties van de verbalisanten meerdere malen gezien dat [medeverdachte] ’s avonds de hond van verdachte uitliet. Dit laatste is ook door verschillende getuigen bevestigd. Daarnaast waren er tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte vier tandenborstels aangetroffen en lag de medicatie, administratie en werkkleding van [medeverdachte] in de woning. Ook blijkt dat het waterverbruik aan de [adres] in de ten laste gelegde periode ruim boven de NIBUD-norm is geweest, rekening houdend met het aantal personen dat officieel op dit adres stond ingeschreven.
Ondanks bovengenoemde aanwijzingen is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het voeren van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte] (in elk geval voor een deel van de ten laste gelegde periode) regelmatig bij verdachte over de vloer kwam. Onduidelijk is echter of het zwaartepunt van het persoonlijk leven van [medeverdachte] in de ten laste gelegde periode lag op het (uitkerings-)adres [adres] te [woonplaats] . Tijdens de observaties is [medeverdachte] namelijk ook regelmatig niet gezien op voornoemd adres. Dit strookt met zijn verklaring dat hij op verschillende adressen verbleef, zoals bij zijn vriendin in [plaats] . Dat [medeverdachte] duurzaam bij verdachte verbleef en daar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven had, kan daarom niet worden vastgesteld. Daarbij komt dat verdachte een verklaring heeft gegeven voor voornoemde aanwijzingen die zouden kunnen duiden op een gezamenlijke huishouding. Zo lagen er meerdere tandenborstels in de woning van verdachte omdat de vriendin en vrienden van haar zoon daar regelmatig sliepen en heeft [medeverdachte] haar hond wel eens uitgelaten, omdat zij vanwege haar ziekte daartoe niet in staat was. Ook was volgens verdachte sprake van een hoog waterverbruik, omdat zij vanwege haar gezondheidsproblemen zeer vaak gebruik maakt van het toilet, haar zoon lang doucht en zij een zwembad heeft. De rechtbank acht de verklaringen van verdachte niet hoogst onaannemelijk, waardoor niet kan worden vastgesteld dat verdachte een gezamenlijke huishouding met [medeverdachte] heeft gevoerd.
Verder kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij wist dat zij het bij de gemeente had moeten melden als zij zou samenwonen, maar dat in haar situatie geen sprake was van samenwonen. Verdachte heeft verklaard dat zij zich niet heeft gerealiseerd dat zij volgens de gemeente had moeten melden dat [medeverdachte] bij haar over de vloer kwam. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen over de gezamenlijke huishouding, komt die verklaring de rechtbank niet onaannemelijk voor. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat verdachte door de gemeente is gewezen op haar inlichtingenplicht of dat haar woonsituatie onderwerp van gesprek is geweest; het dossier bevat geen aanvraagformulier van de bijstandsuitkering of andere documenten waarin staat welke verplichtingen aan de bijstandsuitkering zijn verbonden. Evenmin blijkt uit het dossier dat de gemeente contact heeft gehad met verdachte over haar woonsituatie en verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de gemeente uitsluitend informatie heeft opgevraagd over haar overige inkomsten. Dit betekent dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte opzettelijk haar inlichtingenplicht heeft geschonden.
De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het tenlastegelegde.

5.BESLISSING

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Hebly, voorzitter, mrs. R.B. Eigeman en I. Helmich, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Tressel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 februari 2024.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 12 september 2011 tot en met 11 februari 2020 te Lelystad, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 Wet Pro Werk en Bijstand en/of artikel 17 Participatiewet Pro, (telkens) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij, verdachte, wist
,althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een (bijstands)uitkering krachtens die Participatiewet en/of die Wet Werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, (telkens) niet aan de Sociale Dienst en/of de gemeente Lelystad (schriftelijk) gemeld dat zij, verdachte, in voornoemde periode een gezamenlijke huishouding voerde(n) en/of samenwoonde met [medeverdachte] .