ECLI:NL:RBMNE:2024:1228
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Eiser, voormalig horecamedewerker, ontving sinds november 2019 een werkloosheidsuitkering en later een Ziektewet-uitkering. Na afloop van de wachttijd vroeg hij een WIA-uitkering aan, die het UWV op 3 februari 2022 afwees wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Eiser maakte bezwaar, dat op 7 februari 2023 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 22 januari 2024.
Eiser stelde beperkingen in knielen, hurken en langdurig staan, en betwistte de medische beoordeling van de verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde uitgebreid dat knielen en hurken geen invloed hebben op de klachten en dat de beperkingen correct zijn vastgesteld volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank vond de medische rapporten zorgvuldig en begrijpelijk en zag geen aanleiding tot twijfel.
Ook de arbeidskundige beoordeling, die de belastbaarheid van eiser in relevante functies onderzocht, concludeerde dat de beperkingen niet worden overschreden. De rechtbank volgde deze conclusies en oordeelde dat eiser niet voldoet aan de vereiste mate van arbeidsongeschiktheid voor een WIA-uitkering. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is.