Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de akte van de Staat met producties, tevens houdende wijziging van eis;
- de antwoordakte van [gedaagde] .
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
135,00
5.De beslissing
- € 58.294,70 aan achterstallige pachtpenningen en watersysteemheffing met betrekking tot het gepachte sub 1 over de periode mei 2023 tot en met oktober 2023, voor zover [gedaagde] dit bedrag niet reeds op of omstreeks 4 februari 2024 aan (de gemachtigde van) de Staat heeft betaald;
- € 76.402,31 aan achterstallige pachtpenningen en watersysteemheffing met betrekking tot het gepachte sub 2 over de periode mei 2023 tot en met oktober 2023;
- een gebruiksvergoeding van € 4.857,89 per maand te betalen ter zake het gebruik van het gepachte sub 1 in de periode tussen de datum van ontbinding van de pachtovereenkomst en de feitelijke ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over elke niet (tijdig) betaalde vergoeding vanaf de eerste dag van de betreffende maand tot de dag van betaling;
- de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 58.294,70 vanaf 2 mei 2023 tot en met 8 augustus 2023, over € 58.294,70 vanaf 2 november 2023 tot en met 3 februari 2024, dan wel tot de voldoening voor zover de gestelde betaling van 4 februari 2024 niet heeft plaatsgevonden, over € 76.402,31 vanaf 2 mei 2023 tot en met 17 september 2023 en over € 76.402,31 vanaf 2 november 2023 tot de voldoening, een en ander te verminderen met de restantbetaling van 18 september 2023 ad € 9.917,47;
- € 5.315,16 aan buitengerechtelijke incassokosten;