ECLI:NL:RBMNE:2024:1319

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 februari 2024
Publicatiedatum
6 maart 2024
Zaaknummer
UTR 23/996
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet WOZWet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde vrijstaande woning afgewezen

Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning, gelegen aan een adres in [plaats 1], met een waardepeildatum van 1 januari 2021 en een waarde van €826.000,-. Hij stelt onder meer dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht heeft gegeven in de waardebepaling, onder andere over de eenheidsprijs van water, afwijkende metrages, de grondstaffel, de staat van onderhoud en de doelmatigheid van de tuin.

De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar voldoende stukken heeft verstrekt en dat er geen schending is van artikel 40 Wet Pro WOZ. De taxatiematrix en toelichting tonen aan dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De referentieobjecten zijn vergelijkbaar en de verschillen zijn voldoende gecorrigeerd. De afwijkende metrages worden verklaard door het meetellen van bijgebouwen. De gebruikte grondstaffel is passend voor de gemeente en omliggende kernen. De staat van onderhoud is beoordeeld als 'eenvoudig' en niet slechter dan dat.

Ook is voldoende rekening gehouden met de doelmatigheid van de tuin, waarbij vergelijkbare situaties bij referentieobjecten aanwezig zijn. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde juist is vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €826.000,- wordt ongegrond verklaard en de waarde wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/996

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: W.H. Verdouw),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: B. Boersma).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de onroerende zaak aan de [straat 1] [nummeraanduiding 1] in [plaats 1] (de woning).
1.1.
De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 28 februari 2022 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de WOZ-waarde vastgesteld op
€ 826.000,-. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2021 en geldt voor het belastingjaar 2022. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. De WOZ-waarde is daarvoor als heffingsmaatstaf gehanteerd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 11 januari 2023 (de bestreden uitspraak) het bezwaar ongegrond verklaard en de waarde van de woning en de daarop gebaseerde aanslag gehandhaafd.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een taxatiematrix.
1.4.
Het beroep is behandeld op de online zitting van 4 januari 2024. Eiser heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [A] , taxateur.

Overwegingen

De aanleiding voor deze procedure
2. Eiser is eigenaar van de woning, een vrijstaande woning uit 1966. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 260 m². De woning beschikt over een berging van 35 m². De woning ligt op een perceel van 1100 m².
2.1.
Partijen verschillen van mening over de waarde van de woning per 1 januari 2021. Eiser bepleit een lagere waarde, namelijk € 756.000,-. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 826.000,-.
Beoordeling van het procedurele geschil
3. De rechtbank bespreekt eerst het formele punt over de op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarna gaat zij in op het geschil over de WOZ-waarde.
Beroep op artikel 40 Wet Pro WOZ
4. Eiser voert aan dat in de bezwaarfase de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV-en liggingsfactoren van de woning en van de door de heffingsambtenaar aangevoerde referentieobjecten zijn opgevraagd, maar niet door hem zijn ontvangen. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar geen inzicht heeft gegeven in de waarde van alle objectonderdelen van de gehanteerde referentieobjecten en de woning en hoe de onderlinge verschillen gecorrigeerd zijn. Ten slotte heeft de heffingsambtenaar volgens eiser niet inzichtelijk gemaakt of en hoe de indexering van de verkoopcijfers toegepast worden en uiteindelijk hoe de heffingsambtenaar aan een eindwaarde van de referentieobjecten is gekomen. Doordat deze aspecten niet inzichtelijk zijn gemaakt is er sprake van een schending van artikel 40 Wet Pro WOZ.
4.1.
De rechtbank overweegt het volgende. In een eerdere uitspraak heeft deze rechtbank zich uitgesproken over een zaak waarin door de gemachtigde van eiser dezelfde beroepsgronden zijn aangevoerd over de verstrekking van stukken en het beroep op artikel 40 Wet Pro WOZ. [1] De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar in die zaak de gevraagde stukken op exact dezelfde werkwijze aan de gemachtigde van eiser heeft verstrekt als in deze zaak. Net als in die uitspraak heeft eiser het ‘Taxatieverslag woningen’ ontvangen met daarop de woningen die aan de primaire beschikking ten grondslag lagen. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar dezelfde aangetekende brief van 28 oktober 2022 aan de gemachtigde van eiser toegestuurd met daarin een uitleg over de modelmatige waardebepaling die aan het taxatieverslag ten grondslag ligt met daarin een tabel met de waardecorrecties voor de KOUDV-factoren en de waarde van de verschillende objectonderdelen. In de e-mail van 16 mei 2022 is vervolgens aan de gemachtigde van eiser het gehanteerde indexeringspercentage gestuurd. Daarnaast staat het indexeringspercentage weergegeven in de taxatiematrix, waarbij de heffingsambtenaar op de zitting heeft toegelicht dat het indexeringspercentages volgt uit de permanente marktanalyse. De rechtbank heeft in die zaak geoordeeld dat er geen sprake is van strijd met artikel 40 Wet Pro WOZ. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De beroepsgrond slaagt niet.
Inzichtelijkheid
5. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar niet inzichtelijk heeft gemaakt met welke eenheidsprijs het water is gewaardeerd. Zonder inzichtelijkheid en controleerbaarheid dreigt er een ongelijkwaardige procespositie van partijen te ontstaan. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser deze beroepsgrond ingetrokken. Om die reden zal de rechtbank deze grond buiten beschouwing laten.
Beoordeling van de hoogte van de WOZ-waarde
Beoordelingskader
6. De waarde die op grond van de Wet WOZ moet worden vastgesteld is de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die zou zijn betaald door de meest biedende koper als de onroerende zaak op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding te koop is aangeboden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
6.1.
De waarde van een woning wordt vaak het beste benaderd door de verkoopprijs van de eigen woning als deze kort voor of na de waardepeildatum (een jaar daarvoor of daarna) is verkocht. Meestal is er geen recent eigen verkoopcijfer beschikbaar om de WOZ-waarde te bepalen. Dan wordt de waarde bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentieobjecten hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank de argumenten die eiser heeft aangevoerd en waarmee de waarde wordt betwist, meewegen.
6.2.
Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar in beroep een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen, te weten:
  • [straat 1] [nummeraanduiding 2] te [plaats 1] , verkocht op 15 januari 2020 voor € 665.000,-;
  • [straat 2] [nummeraanduiding 2] te [plaats 2] , verkocht op 2 november 2020 voor € 750.000,-;
  • [straat 3] [nummeraanduiding 3] te [plaats 2] , verkocht op 14 december 2020 voor € 830.000,-.
Volgens de heffingsambtenaar valt uit de verkoopprijzen van deze referentieobjecten af te leiden dat de WOZ-waarde van de woning van eiser niet te hoog is vastgesteld.
De beoordeling van de zaak
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop tijdens de zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Om tot dat oordeel te komen neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentieobjecten goed bruikbaar zijn, omdat zij in dezelfde omgeving liggen, niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht en wat bouwjaar, doelmatigheid en uitstraling betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar inzichtelijk gemaakt dat in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentieobjecten.
7.1.
Wat eiser in beroep aanvoert, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dat legt zij hierna uit.
Referentie 1: [straat 1] [nummeraanduiding 2]
8. Eiser stelt door de referentie aan de [straat 1] te gebruiken, onvoldoende rekening is gehouden met de verschillen. Volgens eiser is deze referentie weliswaar 40 m2 kleiner maar heeft het object wel een zwembad en 25 m2 meer grond. Hierdoor, stelt eiser, is de waarde te hoog vastgesteld.
8.1.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de referentie aan de [straat 1] [nummeraanduiding 2] een goede onderbouwing betreft. Het feit dat deze woning over een zwembad beschikt of dat het perceel 1140 m2 in plaats van 1165 m2 groot is, doet daar niet aan af. De heffingsambtenaar stelt dat voor het overige de objecten erg goed vergelijkbaar zijn.
8.2.
De rechtbank acht, met inachtneming van de uitleg van de heffingsambtenaar, de referentie aan de [straat 1] [nummeraanduiding 2] voldoende vergelijkbaar. Daarbij neemt zij in acht dat de objecten voor wat betreft de meest in het oog springende kenmerken zoals uitstraling/type en het bouwjaar van de woning, goed vergelijkbaar zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Afwijkende metrages
9. Eiser heeft op de zitting gewezen op de discrepanties in metrage voor alle referentieobjecten. Er staat in de iWOZ database een andere gebruiksoppervlakte dan waarmee wordt gerekend in de taxatiematrix. De taxatiematrix is daarom geen goede weergave van de verschillende waardes van de referentieobjecten en kan niet als onderbouwing dienen om vast te stellen dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
9.1.
Ten aanzien van de gebruikte metrages heeft de taxateur op de zitting toegelicht dat deze verschillen het gevolg zijn van het meetellen van garages, bergingen en dergelijke. De rechtbank kan dit volgen en ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de door de heffingsambtenaar gebruikte metrages. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondstaffel
10. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser er op gewezen dat er door de heffingsambtenaar is gerekend met een staffel die voor [plaats 1] geldt. Daarbij is de vraag opgeworpen of voor de gemeente [gemeente] dezelfde staffel geldt.
10.1.
De taxateur heeft op de zitting uitleg gegeven over de gebruikte grondstaffels en daarbij toegelicht dat de woningen niet ver uit elkaar liggen en dat beide gemeentes een kleine kern hebben. Volgens de taxateur blijkt daar uit dat er geen noemenswaardig verschil zit in grondwaarde. De rechtbank kan deze toelichting van de taxateur volgen en ziet daarin voldoende reden om aan te nemen dat de grondstaffel voor beide kernen hetzelfde is. De beroepsgrond slaagt niet.
Staat van onderhoud
11. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar bij het vaststellen van de waarde onvoldoende rekening heeft gehouden met de matige onderhoudstoestand van de woning.
11.1.
Ter zitting heeft de taxateur toegelicht dat en waarom is uit gegaan van de kwalificatie ‘eenvoudig’. Op basis van de foto’s kan de taxateur niet concluderen dat het onderhoud slechter is dan waar nu van uit is gegaan en ziet hij geen reden om een kwalificatie van minder dan ‘voldoende’ aan te nemen. De rechtbank kan deze uitleg goed volgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Doelmatigheid van de tuin
12. Eiser stelt dat het de woning gelegen is op een perceel waarbij het perceel niet optimaal bruikbaar is. Het perceel is ondoelmatig te noemen omdat de woning bijna geen achtertuin heeft en de voortuin vijf maal zo groot is als de achtertuin. Volgens eiser is door de heffingsambtenaar hier onvoldoende rekening mee gehouden in de waardebepaling.
12.1.
De taxateur heeft op de zitting toegelicht dat er bij ten minste twee van de referentieobjecten ook sprake van is van een verminderde doelmatigheid. Voor onderbouwing 1, aan de [straat 1] [nummeraanduiding 2] , geldt exact dezelfde situatie. Voor onderbouwing 3, aan de [straat 3] [nummeraanduiding 3] , geldt dat de achtertuin direct aan een weg gelegen is. De taxateur noemt dit ook minder doelmatig.
12.2.
Gelet op de toelichting van de taxateur op zitting oordeelt de rechtbank dat er van uit kan worden gegaan dat er voldoende rekening is gehouden met de doelmatigheid van de tuin. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland van 12 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4620.