ECLI:NL:RBMNE:2024:1341

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 maart 2024
Publicatiedatum
7 maart 2024
Zaaknummer
570831 / HA RK 24-33
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid en wrakingsverbod bij herhaald wrakingsverzoek rechtbank Midden-Nederland

Verzoeker diende op 21 februari 2024 een wrakingsverzoek in tegen de rechtbank in de hoofdzaak met zaaknummer UTR 22/5545, stellende dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om een voorlopige voorziening niet binnen zeven dagen had behandeld. De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld zonder mondelinge behandeling.

De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk was omdat het niet gericht was tegen de behandelend rechter, mr. M. Eversteijn, die bovendien niet de behandelend rechter in de hoofdzaak was, en omdat een wrakingsverzoek tegen de gehele rechtbank niet mogelijk is. Tevens werden e-mails van verzoeker over een andere zaak buiten beschouwing gelaten.

Daarnaast legde de wrakingskamer een wrakingsverbod op op grond van misbruik van bevoegdheid, omdat verzoeker eerder in dezelfde zaak een vergelijkbaar wrakingsverzoek had ingediend dat ook niet-ontvankelijk was verklaard. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zonder verdere behandeling van nieuwe wrakingsverzoeken van verzoeker in deze zaak.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in het wrakingsverzoek en een wrakingsverbod is opgelegd wegens misbruik van bevoegdheid.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 570831 / HA RK 24-33
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 1 maart 2024
op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van:
[verzoeker] ,
(hierna: verzoeker).

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 21 februari 2024 per e-mail een verzoek tot wraking ingediend van de rechtbank in de zaak met zaaknummer UTR 22/5545 (hierna: de hoofdzaak). Op diezelfde dag en op 29 februari 2024 heeft verzoeker nog meerdere e-mails gestuurd aan de wrakingskamer.
1.2.
De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
De rechtbank begrijpt het verzoek tot wraking zo dat het is gericht tegen de rechtbank en/of tegen mr. M. Eversteijn.
2.2.
Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om een voorlopige voorziening niet binnen zeven dagen heeft behandeld, zoals op de website staat aangegeven. Verzoeker wijst er op dat zijn verzoek met urgentie behandeld moet worden, omdat sprake is van een noodsituatie, namelijk zijn dakloosheid.
2.3.
In de e-mails van 29 februari 2024 stelt verzoeker dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan gedurende een lopende wrakingsprocedure.

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder e van het wrakingsprotocol van de rechtbank Midden-Nederland kan een verzoeker in zijn wrakingsverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, als het verzoek geen betrekking heeft op de met de behandeling van de zaak belaste rechter of als het is gericht tegen de hele rechtbank.
3.2.
De wrakingskamer overweegt dat mr. Eversteijn niet de behandelend rechter is in de hoofdzaak en dat een wrakingsverzoek tegen de hele rechtbank ook niet mogelijk is.
3.3.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de wrakingskamer verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in het wrakingsverzoek.
3.4.
Ten aanzien van de e-mails van verzoeker van 29 februari 2024 stelt de wrakingskamer vast dat deze betrekking hebben op een zaak met zaaknummer UTR 24 / 841 AVG. Dit is een andere zaak dan de hoofdzaak. De wrakingskamer laat deze e-mails daarom verder buiten beschouwing.
Wrakingsverbod
3.5.
De wrakingskamer ziet aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:18, vierde lid, Awb. Een volgend wrakingsverzoek van verzoeker, betrekking hebbend op de procedure met zaaknummer UTR 22/5545, zal niet in behandeling worden genomen.
3.6.
De reden hiervoor is dat verzoeker al eerder, op 13 mei 2023, in dezelfde zaak een wrakingsverzoek heeft ingediend, gericht tegen (alle rechters van) de rechtbank Midden-Nederland. Verzoeker is in dit wrakingsverzoek, bekend onder zaaknummer 557384 / HA RK 23-103, op 30 mei 2023 niet-ontvankelijk verklaard door de wrakingskamer. Verzoeker heeft opnieuw een (vergelijkbaar) wrakingsverzoek ingediend. De wrakingskamer is van oordeel dat het onderhavige wrakingsverzoek om die reden moet worden beschouwd als misbruik van bevoegdheid tot het indienen van een wrakingsverzoek.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, de betrokken teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkzaam is en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer UTR 22/5545 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;
4.4.
bepaalt dat een volgend verzoek om wraking in de zaak met het zaaknummer UTR 22/5545 niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mr. A.F. Hermans en mr. J.R. Hurenkamp als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. S. Bazaz, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.