De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot verlenging van een rechterlijke machtiging voor het verblijf van betrokkene in een zorginstelling. Betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening en verblijft tegen haar wil in een verpleeghuis. De rechtbank constateerde dat de medische verklaring onvoldoende onderbouwd was en dat er onvoldoende informatie was over de huidige toestand en thuissituatie van betrokkene.
Tijdens de mondelinge behandeling werden verklaringen gehoord van een specialist ouderengeneeskunde, de zoon van betrokkene, een verzorger en betrokkene zelf. De specialist benadrukte het gebrek aan inzicht van betrokkene in haar situatie en de onmogelijkheid van terugkeer naar huis vanwege risico's en onrust. De zoon en verzorger bevestigden de problematiek thuis en de noodzaak van zorg in een instelling.
De rechtbank oordeelde dat de verstrekte medische verklaring onvoldoende eigen onderzoek bevatte en onvoldoende onderbouwde vaststellingen over het ernstig nadeel en de noodzaak van verblijf tegen de wil van betrokkene. Daarom werd besloten de machtiging slechts voor twee maanden te verlenen, zodat een onafhankelijke arts betrokkene opnieuw kan beoordelen en een uitgebreidere medische verklaring kan worden opgesteld. Het CIZ werd verzocht uiterlijk 19 april 2024 deze nieuwe verklaring aan te leveren.
De beslissing houdt het verzoek voor het overige aan en bepaalt dat de mondelinge behandeling wordt voortgezet op een nader te bepalen datum. De beschikking is op 1 maart 2024 gegeven door rechter P.A.M. Penders en op 8 maart 2024 schriftelijk uitgewerkt.