ECLI:NL:RBMNE:2024:1443

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 februari 2024
Publicatiedatum
11 maart 2024
Zaaknummer
C/16570197
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing wegens onhoudbare opvoedsituatie en perspectiefwijziging minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2015. De minderjarige verbleef sinds maart 2023 bij de moeder met intensieve begeleiding, maar is momenteel geplaatst bij een jeugdhulpaanbieder. De ondertoezichtstelling is reeds van kracht tot 16 augustus 2024.

De GI stelt dat de opvoedsituatie bij de moeder onhoudbaar is, ondanks extra hulpverlening, en dat terugplaatsing niet langer mogelijk is. Een plaatsing in een pleeggezin is geen optie vanwege de complexe problematiek; daarom wordt gezocht naar een gespecialiseerde gezinshuisplek. De moeder betwist dit en pleit voor een beperkte verlenging met intensieve hulp en meer contact. De vader is eveneens tegen verlenging en stelt dat de minderjarige bij hem kan wonen met juiste hulp.

De kinderrechter oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarige. De moeder kan ondanks veel hulp de opvoeding niet adequaat bieden vanwege de verzwaarde opvoedvraag en haar eigen problematiek. Ook bij de vader is wonen geen optie, mede door eerdere mislukte terugplaatsing en zijn eigen hulpbehoefte. De terugplaatsingen zijn herhaaldelijk mislukt en de situatie is geëscaleerd. De GI hoeft niet nog meer hulp in te zetten gericht op thuisplaatsing. De minderjarige heeft een stabiele professionele opvoedsituatie nodig. De machtiging wordt daarom verlengd tot 16 augustus 2024. De moeder blijft een rol in het leven van de minderjarige houden, met begeleid contact. Contactherstel met de vader kan mogelijk later worden ingezet.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 16 augustus 2024 wegens onhoudbare thuissituatie en het belang van stabiliteit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/570197 / JE RK 24-242
Datum uitspraak: 23 februari 2024
Beschikking van de kinderrechter over een vervolg spoeduithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming,
hierna te noemen de GI,
wonende in Amsterdam-Zuidoost,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. van Beers,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter van 9 februari 2024;
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI, binnengekomen bij de rechtbank op 12 februari 2024;
  • de e-mail met productie 1 en 2 van de advocaat van de moeder van 22 februari 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 februari 2024. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de heer [A] en de heer [B] , namens de GI.
Aan mevrouw [begeleider] , begeleider van de vader van de Tussenvoorziening, is bijzondere toegang verleend tot de zitting als toehoorder.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woonde sinds maart 2023 volledig bij haar moeder in een woonvoorziening met 24 uur per etmaal begeleiding, genaamd [naam] . Op dit moment verblijft [minderjarige] bij [instelling] in [plaats] .
2.3.
Bij beschikking van 16 augustus 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 16 augustus 2024.
2.4.
Bij beschikking van 9 februari 2024 heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken, dus tot 8 maart 2024. De kinderrechter heeft de behandeling van het verzoek van de GI voor het overige aangehouden.

3.Het verzoek van de GI

3.1.
De kinderrechter moet nog een beslissing nemen op het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen tot 16 augustus 2024. De GI heeft toegelicht dat de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder niet langer houdbaar is, ook niet met extra inzet van hulpverlening. [naam] wil en kan de veiligheid niet langer garanderen. Het netwerk van de moeder en de vader bieden ook geen mogelijkheden. Dit betekent dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is om haar uit huis te plaatsen, en wel naar een professionele setting. Gezien de toegenomen opvoedvraag van [minderjarige] en de ervaringen uit het verleden is een uithuisplaatsing in een pleeggezin geen optie. De GI ziet als enige optie een plaatsing in een gezinshuis dat gespecialiseerd is in intensieve problematiek. De GI is momenteel bezig om te zoeken naar een goede plek voor [minderjarige] . In de tussentijd verblijft zij bij [instelling] , een logeerhuis waar zij twee weekenden per maand al naar toeging. De GI heeft verder aangegeven dat het beleid niet langer gericht zal zijn op terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, maar dat het wel in het belang van [minderjarige] is dat de moeder een rol in haar leven kan blijven spelen. Hoe groot die rol zal zijn zal de toekomst uitwijzen.

4.De standpunten van de ouders

4.1.
De moeder is het niet eens met het verzoek van de GI. De moeder erkent dat sprake was van een escalatie en dat de situatie thuis onhoudbaar was geworden, maar de moeder vindt dat zij met extra inzet van hulpverlening de zorg en opvoeding van [minderjarige] over een korte periode weer op zich kan nemen. De advocaat pleit namens de moeder om het verzoek van de GI toe te wijzen voor een beperkte duur. In de tussentijd kan worden ingezet op het Kings-traject waarvoor de moeder en [minderjarige] waren aangemeld. Dit is een gezinsopname voor gecombineerde moeder-kind traumabehandeling en duurt circa zes tot acht weken. Daarnaast benadrukt de advocaat dat het van groot belang is dat de moeder en [minderjarige] gedurende de uithuisplaatsing veel contact en omgang met elkaar hebben. De moeder vindt de omgang die zij nu heeft met [minderjarige] veel te beperkt.
4.2.
De vader is het niet eens met een verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] . De vader vindt dat [minderjarige] met de juiste hulp bij hem kan wonen. De vader vindt dat tot nu toe te weinig hulp is ingezet.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 16 augustus 2024. De kinderrechter zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).
5.3.
De kinderrechter vindt dat [minderjarige] niet meer bij de moeder kan wonen. In de afgelopen periode is er heel veel hulp ingezet voor de moeder, met als doel om haar te ontlasten in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Zo heeft de moeder sinds december 2023 – naast de intensieve opvoedondersteuning vanuit [naam] – twee uur per dag extra hulp van Humanitas. Ook werd de moeder ontlast doordat [minderjarige] één weekend per maand naar haar tante en twee weekenden per maand naar [instelling] kon gaan. Uit de stukken en het gesprek op de zitting is voor de kinderrechter duidelijk geworden dat het de moeder, ondanks de inzet van de vele hulpverlening, onvoldoende lukt om de zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Dit komt mede door de verzwaarde opvoedvraag die [minderjarige] heeft. [minderjarige] laat, door haar belaste verleden en de door haar ervaren onrust en onveiligheid, namelijk steeds vaker ernstig zelfbepalend en onvoorspelbaar gedrag zien. Dit heeft in de afgelopen periode meermaals geleid tot ernstige incidenten in de thuissituatie. [minderjarige] is een aantal keer weggelopen, heeft fysiek en verbaal geweld gebruikt en heeft zichzelf in onveilige situaties gebracht. Inmiddels is [minderjarige] ook op school uitgevallen, omdat daar meerdere incidenten hebben plaatsgevonden met [minderjarige] waardoor de veiligheid van het personeel, de medeleerlingen en [minderjarige] zelf niet langer gewaarborgd kon worden. Vanwege deze problematiek van [minderjarige] heeft zij een opvoedingssituatie nodig met strakke kaders, duidelijke grenzen en voldoende stabiliteit en veiligheid. Gebleken is dat de moeder onvoldoende in staat is om dit aan [minderjarige] te bieden. De kinderrechter ziet dat de moeder meewerkt met de hulpverlening en heel erg haar best doet om het goed te doen, maar gebleken is dat het de moeder – mede vanwege haar eigen complexe persoonlijke problematiek – niet lukt om adviezen en tips van de hulpverlening consequent en langdurig op te volgen. Uit de stukken van de GI blijkt dat het de moeder met name niet lukt om consequent te blijven richting [minderjarige] en haar structuur, duidelijkheid en regelmaat te bieden, terwijl dit juist is waar [minderjarige] behoefte aan heeft. De kinderechter is daarom van oordeel dat de thuissituatie van de moeder onvoldoende toekomt aan wat [minderjarige] nodig heeft.
5.4.
[minderjarige] kan ook niet bij de vader wonen. Er is na een crisisuithuisplaatsing in december 2022 geprobeerd om [minderjarige] bij de vader en de grootouders (vz) te laten wonen, maar dit is na een aantal maanden misgegaan. In maart 2023 hebben de vader en de grootouders laten weten dat zij niet meer voor [minderjarige] konden zorgen. Daarna is [minderjarige] (weer) met de moeder bij [naam] gaan wonen. [minderjarige] en de vader hebben op dit moment geen contact meer met elkaar. Daarnaast heeft de vader zelf hulpverlening van de Tussenvoorziening om zijn leven weer op de rit te krijgen. De kinderrechter vindt het verzoek van de vader om te bepalen dat [minderjarige] weer bij hem of zijn ouders gaat wonen, onder deze omstandigheden, niet realistisch.
5.5.
De vader en de moeder willen allebei dat er nog meer hulp wordt ingezet. Zij zijn beiden van mening dat zij met extra hulpverlening voor [minderjarige] kunnen zorgen. De kinderrechter ziet echter dat beide ouders in de afgelopen jaren, en ook al voor de ondertoezichtstelling in vrijwillig kader, veel hulp hebben gehad en desondanks is het keer op keer misgegaan. [minderjarige] is nu al een aantal keren (met spoed) uit huis geplaatst. De terugplaatsingen zijn telkens uiteindelijk mislukt. Nu is de situatie bij de moeder thuis zodanig geëscaleerd dat het opnieuw nodig was om [minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen. De kinderrechter is van oordeel dat in deze situatie niet van de GI verwacht mag worden dat er nóg meer hulpverlening wordt ingezet die gericht is op thuisplaatsing. [minderjarige] kan niet langer wachten. Zij heeft het nu nodig dat zij in de komende jaren kan opgroeien in een opvoedsituatie die veel meer omvat dan wat de moeder en de vader [minderjarige] kunnen bieden. De kinderrechter onderschrijft daarom het beleid van de GI dat in de komende periode wordt gezocht naar een perspectiefbiedende plek voor [minderjarige] . Dit zal een plek moeten zijn met professionals die tegemoet kunnen komen aan de verzwaarde opvoedvraag van [minderjarige] .
5.6.
De rechtbank begrijpt dat deze uitspraak een grote impact heeft op de moeder. Toch is dit wat de kinderrechter het beste vindt voor de ontwikkeling van [minderjarige] . De kinderrechter benadrukt dat het wel de bedoeling is dat de moeder, ondanks de uithuisplaatsing, een rol zal blijven spelen in het leven van [minderjarige] . Hierbij is leidend wat [minderjarige] aankan. Daarnaast zal op termijn mogelijk ook kunnen worden ingezet op contactherstel tussen de vader en [minderjarige] , mits dit in het belang van [minderjarige] wordt geacht. Zoals de GI op de zitting heeft gezegd, heeft het op dit moment echter de grootste prioriteit dat [minderjarige] eerst verder stabiliseert en tot rust komt. Daarin past een zeer beperkt en begeleid contact met de moeder.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 16 augustus 2024;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2024 door mr. M.A.A.T. Engbers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.M.F. Crijns als griffier, en op schrift gesteld op 1 maart 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.