De zaak betreft een verzoek van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2015. De minderjarige verbleef sinds maart 2023 bij de moeder met intensieve begeleiding, maar is momenteel geplaatst bij een jeugdhulpaanbieder. De ondertoezichtstelling is reeds van kracht tot 16 augustus 2024.
De GI stelt dat de opvoedsituatie bij de moeder onhoudbaar is, ondanks extra hulpverlening, en dat terugplaatsing niet langer mogelijk is. Een plaatsing in een pleeggezin is geen optie vanwege de complexe problematiek; daarom wordt gezocht naar een gespecialiseerde gezinshuisplek. De moeder betwist dit en pleit voor een beperkte verlenging met intensieve hulp en meer contact. De vader is eveneens tegen verlenging en stelt dat de minderjarige bij hem kan wonen met juiste hulp.
De kinderrechter oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarige. De moeder kan ondanks veel hulp de opvoeding niet adequaat bieden vanwege de verzwaarde opvoedvraag en haar eigen problematiek. Ook bij de vader is wonen geen optie, mede door eerdere mislukte terugplaatsing en zijn eigen hulpbehoefte. De terugplaatsingen zijn herhaaldelijk mislukt en de situatie is geëscaleerd. De GI hoeft niet nog meer hulp in te zetten gericht op thuisplaatsing. De minderjarige heeft een stabiele professionele opvoedsituatie nodig. De machtiging wordt daarom verlengd tot 16 augustus 2024. De moeder blijft een rol in het leven van de minderjarige houden, met begeleid contact. Contactherstel met de vader kan mogelijk later worden ingezet.