ECLI:NL:RBMNE:2024:1487

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 maart 2024
Publicatiedatum
12 maart 2024
Zaaknummer
C/16/558858 / HA ZA 23-425
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming in thuiszorgovereenkomst

De zaak betreft een civiele procedure tussen een thuiszorgbedrijf en een voormalig samenwerkingspartner over een schadevergoeding van € 96.486,67. Het thuiszorgbedrijf stelt dat de gedaagde toerekenbaar tekortgeschoten is door ongekwalificeerde zorgverleners aan te bieden, waardoor een zorgverzekeraar een bedrag van € 137.838,10 heeft teruggevorderd.

De gedaagde betwist dat zij verantwoordelijk is voor de vier specifieke zorgverleners die het thuiszorgbedrijf noemt en verklaart deze niet te kennen. Het thuiszorgbedrijf heeft geen nadere onderbouwing gegeven om aan te tonen dat deze zorgverleners onder verantwoordelijkheid van de gedaagde vielen.

De rechtbank oordeelt dat het thuiszorgbedrijf niet aan haar stelplicht heeft voldaan en dat er geen toerekenbare tekortkoming is vastgesteld. Daarom wordt de vordering afgewezen. Daarnaast wordt het thuiszorgbedrijf veroordeeld in de proceskosten, die begroot zijn op € 5.337,00, en in de wettelijke rente over deze kosten.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van toerekenbare tekortkoming.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/558858 / HA ZA 23-425
Vonnis van 20 maart 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. M.N. Mense te Haarlem,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. G.J. Verduijn te Utrecht.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 14 juni 2023, met producties 1 t/m 8,
  • de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 16,
  • de mondelinge behandeling van 9 februari 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Aan partijen is medegedeeld dat er op 20 maart 2024 vonnis wordt gewezen.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
[eiseres] drijft in samenwerking met de aan haar gelieerde Stichting [naam 1] (hierna: [naam 1] ) een onderneming gericht op het (laten) verlenen van thuiszorg. [naam 1] is bestuurder van [eiseres] . [naam 1] heeft overeenkomsten gesloten met zorgverzekeraars, waaronder met zorgverzekeraar VGZ.
2.2.
[gedaagde] was ook werkzaam in de thuiszorg, aanvankelijk via haar thuiszorgonderneming [naam 2] .
2.3.
In 2019 zijn [eiseres] en [gedaagde] gaan samenwerken. Zij zijn onder andere overeengekomen dat [gedaagde] de voor haar werkzame zorgverleners aan [eiseres] ter beschikking zal stellen, met als doel om hen thuiszorgwerkzaamheden te laten uitvoeren.
2.4.
VGZ heeft naar aanleiding van een fraudeonderzoek een bedrag van € 137.838,10 van [naam 1] / [eiseres] teruggevorderd op grond van haar verzekeringsvoorwaarden, omdat zij volgens VGZ declaraties had ingediend voor zorg die is verleend door ongekwalificeerde zorgverleners.
2.5.
[eiseres] wil in deze procedure een deel van dit bedrag verhalen op [gedaagde] en vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 96.486,67 aan schadevergoeding.
2.6.
[gedaagde] voert daartegen verweer.

3.De beoordeling

3.1.
De vordering van [eiseres] wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
3.2.
[eiseres] stelt dat [gedaagde] schadevergoeding aan haar moet betalen, omdat zij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting om gekwalificeerde zorgverleners aan [naam 1] / [eiseres] ter beschikking te stellen. [gedaagde] heeft de dagvaarding zo geïnterpreteerd dat de terugvordering ziet op haar ter beschikking stelling van zorgverlener [A] , waartegen zij verweer heeft gevoerd.
3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] duidelijk gemaakt dat het niet gaat om [A] , maar om de volgende vier ongekwalificeerde zorgverleners:
- [B] ,
- [C] ,
- [D] , en
- [E] .
3.4.
Het verweer [gedaagde] ten aanzien van zorgverlener [A] kan daarom buiten beschouwing blijven, omdat de stellingen van [eiseres] hierop geen betrekking hebben.
3.5.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd betwist dat de vier zorgverleners waar het volgens [eiseres] om gaat onder haar verantwoordelijkheid hebben gewerkt en dat zij deze zorgverleners aan [eiseres] ter beschikking heeft gesteld. [gedaagde] heeft, zo heeft zij verklaard, zelfs nog nooit van deze zorgverleners gehoord.
3.6.
[eiseres] heeft naar aanleiding van deze gemotiveerde betwisting geen nadere onderbouwing gegeven van haar stelling dat [gedaagde] deze zorgverleners aan haar ter beschikking heeft gesteld. De rechtbank ziet geen enkel aanknopingspunt in de stukken uit het dossier waaruit volgt dat deze medewerkers gelinkt waren aan [gedaagde] . [eiseres] heeft daarom niet aan haar stelplicht voldaan. Zij heeft niet gemotiveerd onderbouwd dat [gedaagde] (toerekenbaar) tegenover haar is tekortgeschoten. Dit brengt mee dat niet geconcludeerd kan worden dat [gedaagde] schadevergoeding aan [eiseres] moet betalen.
3.7.
De vordering van [eiseres] moet daarom worden afgewezen.
Proceskosten
3.8.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief de nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 1.301,00
- salaris advocaat € 3.858,00 (2 punten × tarief V)
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging in de beslissing)
Totaal € 5.337,00
3.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.10.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaart.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst de vorderingen af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 5.337,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
4.3.
veroordeelt [eiseres] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Hurenkamp en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2024.