In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de onroerende zaak aan de [adres 1] in [vestigingsplaats 2] (het object).
In de beschikking van 30 juni 2022 (het primaire besluit) heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van het object voor het belastingjaar 2022 vastgesteld op € 507.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2021. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiseres als gebruiker van het object ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 9 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar de waarde van het object en de aanslag gehandhaafd.
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
Het beroep is behandeld op de online zitting van 8 februari 2024. Verschenen zijn: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar samen met [taxateur] , taxateur.
Feiten
Eiseres is gebruiker van het object. Het object is een showroom die in 2009 is gebouwd.
Geschil
Volgens eiseres is de waarde te hoog vastgesteld en kan de waarde niet hoger zijn dan € 400.000,-. De heffingsambtenaar heeft de waarde van het object in beroep gehandhaafd en onderbouwd met een bij het verweerschrift overgelegde taxatiematrix van taxateur [taxateur] . In deze matrix is de waarde van het object bepaald op € 528.175,-.
Beoordeling door de rechtbankHet beoordelingskader
De waarde die moet worden vastgesteld is de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die zou zijn betaald door de meest biedende koper als de onroerende zaak op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding te koop is aangeboden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is betrekt de rechtbank wat eiseres heeft aangevoerd.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van het object bepaald door middel van een methode van kapitalisatie van de bruto huur (HWK-methode). Bij deze methode wordt de huurwaarde van een object vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor. De huurwaarde van de onroerende zaak is bepaald aan de hand van een vergelijking met gerealiseerde bruto huurprijzen van referentieobjecten. De huurwaarde is voor het object bepaald op € 54.451,-. Deze huurwaarde is vervolgens vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor (9,7). Deze kapitalisatiefactor is het resultaat van een vergelijking met de kapitalisatiefactoren van referentie-objecten die zijn bepaald door de verkoopprijzen van referentieobjecten te delen door (getaxeerde) huurprijzen. De waarde van het object op de waardepeildatum is daarbij getaxeerd op 528.175,-.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de waarde van de onroerende zaak terecht bepaald is met behulp van de HWK-methode. De rechtbank sluit zich hierbij aan.
De beoordeling van de zaakHeeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld?
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met het verweerschrift en de taxatiematrix aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van € 507.000,- niet te hoog is vastgesteld.
De rechtbank overweegt dat de verkoopcijfers van de referentie-objecten goed bruikbaar zijn voor een vergelijking. De rechtbank stelt vast dat het object en de referentie-objecten allemaal bij elkaar in de buurt liggen op hetzelfde bedrijventerrein. De referentie-objecten zijn niet te ver van de waardepeildatum verkocht. Het object en de referentie-objecten zijn gebouwd tussen 2005 en 2008 en hebben allemaal een vergelijkbare bouwkundige kwaliteit. Het object heeft een kapitalisatie-factor van 9,7, terwijl de referentie-objecten gemiddeld een kapitalisatie-factor van 14,3 hebben. Volgens de rechtbank heeft de heffingsambtenaar hierdoor aannemelijk gemaakt dat de kapitalisatie-factor van het object niet te hoog is vastgesteld.
Ten aanzien van de huurwaarde oordeelt de rechtbank dat de heffingsambtenaar het object heeft vergeleken met referentie-objecten die voldoende vergelijkbaar zijn gelet op de ligging in [vestigingsplaats 2] , objectsoort (opslag/distributie dan wel toonzaal) en het bouwjaar. De heffingsambtenaar heeft de huurwaarde per m² vastgesteld op € 60,- terwijl de referentie-objecten een gemiddelde huurprijs per m² hebben van € 75,-. Volgens de rechtbank heeft de heffingsambtenaar hierdoor aannemelijk gemaakt dat de huurwaarde van het object niet te hoog is vastgesteld.
Wat eiseres in beroep aanvoert brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dat legt zij hierna uit.
Beoordeling van de beroepsgronden van eiser