Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- Verzoeker;
- Mevrouw [B] (hierna: [B] )
- De heer [C] , een vriend van [B] ;
- De heer [D] , een vriend van [B] .
2.De feiten
3.Het verzoek en de beoordeling
Slechts in een
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een verzoek van de gevolmachtigde van de enig erfgenaam/vereffenaar om zijn loon als vereffeningskosten in de nalatenschap van de overledene vast te stellen. De nalatenschap betrof een complexe situatie met een eenmanszaak zonder deugdelijke financiële administratie, wat de vereffening tijdrovend maakte.
De kantonrechter oordeelt dat artikel 4:206 lid 3 BW Pro alleen ziet op door de rechtbank benoemde vereffenaars, en dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het vaststellen van loon van een gevolmachtigde van een erfgenaam als vereffeningskosten. De richtlijnen bieden slechts in uitzonderlijke situaties ruimte, maar die zijn hier niet van toepassing.
Hoewel de werkzaamheden intensief waren, is dit niet uitzonderlijk voor een nalatenschap met een onderneming. Bovendien is verzoeker aangesloten bij NOVEX en had hij moeten weten dat zijn loon niet ten laste van de nalatenschap kan worden gebracht. Het reeds betaalde bedrag moet worden teruggestort op de ervenrekening. De vereffening wordt hervat, waarbij [B] als enig erfgenaam/vereffenaar aansprakelijk blijft voor het loon van verzoeker tenzij de rechtbank een vereffenaar benoemt.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het loon van de gevolmachtigde als vereffeningskosten wordt afgewezen en het betaalde bedrag moet worden teruggestort.