Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2024:1554

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 februari 2024
Publicatiedatum
14 maart 2024
Zaaknummer
559523
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:162 BWArt. 7:900 BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens betalingsonwil in vastgoedproject

In deze civiele procedure vordert eiseres B.V. dat gedaagde, bestuurder van onderneming 1 B.V., persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld voor de niet-nakoming van een betalingsverplichting van €338.000 uit hoofde van een vaststellingsovereenkomst (VSO) in een vastgoedproject. Onderneming 1 B.V. had deze betaling aan eiseres moeten voldoen, maar is in gebreke gebleven ondanks eerdere vonnissen.

De rechtbank oordeelt dat gedaagde als enig bestuurder bewust heeft bewerkstelligd dat onderneming 1 B.V. haar betalingsverplichting niet nakomt, hetgeen neerkomt op betalingsonwil. De vordering is onbetaald en onverhaalbaar gebleven, en gedaagde kon niet aannemelijk maken dat er sprake was van betalingsonmacht of een geldige reden voor niet-betaling.

De rechtbank wijst de vordering van eiseres toe tot betaling van €338.000 inclusief btw, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 oktober 2022. Tevens wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van beslagkosten, buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en wettelijke rente over deze bedragen. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De bestuurder wordt persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de onbetaalde vordering van €338.000 inclusief rente en kosten wegens betalingsonwil.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/559523 / HA ZA 23-454
Vonnis van 28 februari 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. P.J.B. van Deurzen te 's-Gravenhage,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. A.T. de Putter te Ede.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 11,
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2,
- de e-mail van 14 november 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de aanvullende productie 12 van [eiseres] van 4 januari 2024,
- de aanvullende productie 13 van [eiseres] van 8 januari 2024,
- de aanvullende productie 14 van [eiseres] van 9 januari 2024,
- de mondelinge behandeling van 15 januari 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van de zijde van [eiseres] ,
- de spreekaantekeningen van de zijde van [gedaagde] .
1.2.
Daarna is vonnis bepaald.

2.Korte toelichting op de zaak

2.1.
[gedaagde] is bestuurder van [onderneming 1] B.V. (hierna: ‘ [onderneming 1] ’). [onderneming 1] en [eiseres] werken samen in een vastgoedproject ter realisatie van 28 nieuwbouwwoningen in [plaats] . [onderneming 1] en [eiseres] hebben hierover (nadere) afspraken gemaakt voorafgaand aan de start van de bouw. Die afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 14 juli 2022 (hierna: ‘de VSO’). Op grond van die VSO moest [onderneming 1] € 338.800,- incl. btw betalen aan [eiseres] en zou [eiseres] starten met de bouw van de woningen. [onderneming 1] is zijn betalingsverplichting niet nagekomen. [eiseres] is wel gestart met de bouw en de 28 nieuwbouwwoningen zijn bijna gereed voor oplevering.
2.2.
[onderneming 1] is bij vonnis in incident van 1 maart 2023 veroordeeld om
€ 338.800,- inclusief btw als voorschot aan [eiseres] te betalen. In het vonnis van 3 januari 2024 (de bodemprocedure) is [onderneming 1] veroordeeld tot betaling van € 338.800,- inclusief btw aan [eiseres] . [onderneming 1] heeft nog niet betaald. [eiseres] houdt [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk voor de wanprestatie van [onderneming 1] . Als bestuurder van [onderneming 1] zorgt hij ervoor dat [onderneming 1] haar betalingsverplichting niet nakomt, aldus [eiseres] .
2.3.
[eiseres] vordert in deze procedure te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] lijdt. Daarnaast vordert [eiseres] betaling van de schade ter hoogte van € 338.000,-, plus rente. [gedaagde] is het hier niet mee eens en vindt dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

3.De beoordeling

3.1.
[eiseres] stelt dat [gedaagde] ervoor heeft gezorgd dat [onderneming 1] haar betalingsverplichtingen niet is nagekomen. Volgens [eiseres] is sprake van betalingsonwil, waarvan [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken. [eiseres] houdt [gedaagde] als bestuurder van [onderneming 1] daarom persoonlijk aansprakelijk voor de schade van € 338.000,-.
3.2.
De rechtbank wijst de vordering van [eiseres] toe. Zij licht haar oordeel hierna toe.
3.3.
De rechtbank overweegt dat hoewel uit de VSO en de eerdere vonnissen volgt dat [eiseres] € 338.800,- bedoelt te vorderen, dit niet in (het petitum van) de dagvaarding is gevorderd, zodat enkel kan worden geoordeeld over de € 338.000,- die is gevorderd.
Het juridisch kader
3.4.
De door [eiseres] gestelde bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde] moet worden beoordeeld aan de hand van het toetsingskader zoals dat volgt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Daaruit volgt dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van die aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
3.5.
Het antwoord op de vraag of een bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als hiervoor bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen als deze heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In dat geval kan de bestuurder voor schade van de schuldeiser in ieder geval aansprakelijk worden gehouden als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.
De vordering is onbetaald en onverhaalbaar gebleven
3.6.
De eerste voorwaarde is dat de vordering van [eiseres] uit hoofde van de VSO onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt. Aan deze voorwaarde is voldaan. De vordering van [eiseres] op [onderneming 1] tot betaling van € 338.000,- is tot nu toe onbetaald gebleven. Daarnaast heeft het conservatoire beslag op de bankrekeningen van [onderneming 1] van 10 november 2022 ook geen doel getroffen. Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank er van uit dat de vordering die [eiseres] uit hoofde van de VSO heeft op [onderneming 1] onverhaalbaar is.
Er is sprake van betalingsonwil
3.7.
De volgende voorwaarde is dat [gedaagde] als bestuurder van [onderneming 1] heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [onderneming 1] haar contractuele verplichtingen niet nakomt en wanprestatie pleegt. Aan deze voorwaarde is ook voldaan. De rechtbank oordeelt dat [onderneming 1] aan de betalingsverplichting aan [eiseres] wel kón voldoen, maar dat [gedaagde] als bestuurder van [onderneming 1] ervoor heeft gezorgd dat dit desondanks (en zonder goede reden) niet is gebeurd. De rechtbank licht haar oordeel hierna toe.
3.8.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij niet zozeer weigert te betalen, maar dat hij eerst wil weten wat de werkelijke schade van [eiseres] is als gevolg van de gestegen bouwkosten. Bij het sluiten van de VSO heeft hij ook uitdrukkelijk aangegeven dat hij niet bereid is te betalen als de bijdrage resulteert in extra winst voor [eiseres] . Volgens [gedaagde] is niet gebleken dat [eiseres] last heeft gehad van de gestegen bouwkosten. Het kan volgens [gedaagde] namelijk niet anders dan dat [eiseres] vóór de prijsstijging al bouwmaterialen had ingekocht, omdat zij direct na de totstandkoming van de VSO is gestart met bouwen. Alleen als de bouw niet was doorgegaan, zou [eiseres] schade hebben geleden, aldus [gedaagde] . De totstandkoming van de VSO (en de rol van [gedaagde] daarin) heeft dat namelijk juist voorkomen.
3.9.
De rechtbank volgt het standpunt van [gedaagde] niet. Voorop staat dat [gedaagde] enig bestuurder is van [onderneming 1] en de volledige zeggenschap over [onderneming 1] heeft. In die hoedanigheid bepaalt hij of [onderneming 1] haar betalingsverplichtingen voldoet. In tegenstelling tot wat [gedaagde] aanvoert, blijkt nergens uit dat de betalingsverplichting van [onderneming 1] pas opeisbaar zou zijn als vast zou komen te staan wat de werkelijk geleden schade van [eiseres] is als gevolg van de gestegen bouwkosten. Wat de werkelijk geleden schade van [eiseres] is, is ook niet relevant. In de VSO is namelijk vastgesteld dat [onderneming 1] € 338.800,- zou betalen aan [eiseres] . Dat was ter compensatie van de gestegen bouwkosten. Na die financiële bijdrage zou er alsnog een tekort van € 300.000,- resteren. [eiseres] zou daarvan
€ 150.000,- voor haar rekening nemen. De hoogte van de betalingsverplichting staat dan ook duidelijk in de VSO en de VSO biedt ook geen aanknopingspunten voor het feit dat er na de totstandkoming nog onderhandelingsruimte was. Het zou bovendien in strijd zijn met de aard en functie van een vaststellingsovereenkomst. Met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst wordt juist beoogd een geschil of onzekerheid tussen partijen te beëindigen (artikel 7:900 BW Pro). [eiseres] werd ten tijde van het sluiten van de VSO bijgestaan door zijn advocaat, zodat hij verondersteld wordt ermee bekend te zijn dat partijen gebonden zijn aan de afspraken die partijen hebben vastgelegd in de VSO.
3.10.
Daar komt bij dat vast staat dat [gedaagde] tijdens een bespreking op 17 oktober 2022 ook nog heeft uitgesproken dat hij de gemaakte afspraak niet zal nakomen en niet zal betalen aan [eiseres] .
3.11.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het een bewuste keuze van [gedaagde] is om de vordering van [eiseres] niet te betalen. De houding van [gedaagde] kan niet anders worden aangemerkt dan betalingsonwil.
Het beroep op betalingsonmacht slaagt niet
3.12.
Het beroep van [gedaagde] op betalingsonmacht slaagt ook niet. Volgens [gedaagde] had hij met [onderneming 2] B.V. afgesproken dat zij de helft van de betalingsverplichting van € 338.800,- voor haar rekening zou nemen. [onderneming 2] B.V. is die afspraak niet nagekomen, waardoor [onderneming 1] financieel niet in staat was haar betalingsverplichting te voldoen, aldus [gedaagde] . [eiseres] betwist dat [gedaagde] een dergelijke afspraak met [onderneming 2] B.V. heeft gemaakt. Ter onderbouwing verwijst [eiseres] naar een e-mail van de directeur van [onderneming 2] B.V., waarin hij betwist dat die afspraak met [gedaagde] is gemaakt. De afspraak is evenmin onderdeel van de VSO. [gedaagde] heeft ook geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat die afspraak is gemaakt. Dat die afspraak tussen [gedaagde] en [onderneming 2] B.V. is gemaakt, is dan ook onvoldoende gebleken. Tenslotte neemt de rechtbank nog in overweging dat als die afspraak wel was gemaakt, [onderneming 1] alsnog de andere helft van het bedrag had moeten betalen. Ook dat is niet gebeurd. Daarvoor heeft [gedaagde] geen verklaring gegeven. [gedaagde] heeft bovendien geen jaarrekening van [onderneming 1] overgelegd waaruit blijkt dat [onderneming 1] over onvoldoende financiële middelen beschikt. Als bestuurder van [onderneming 1] ligt het juist op zijn weg om die stukken te overleggen. Hij beschikt namelijk als enige over die informatie. Het beroep van [gedaagde] op betalingsonmacht slaagt dan ook niet.
3.13.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van een situatie waarin [gedaagde] als enig bestuurder van [onderneming 1] ervoor heeft gezorgd dat de op [onderneming 1] rustende vordering van [eiseres] bewust niet is betaald. De betalingsverplichting is duidelijk omschreven en onvoorwaardelijk. Ook nadat [onderneming 1] bij vonnissen van 1 maart 2023 en 3 januari 2024 is veroordeeld tot betaling, is hij daartoe niet overgegaan. Verder is gebleken dat [onderneming 1] geen verhaalsmogelijkheden biedt, terwijl [gedaagde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [onderneming 1] in betalingsonmacht verkeert. Naar het oordeel van de rechtbank levert het onbetaald laten van de vordering van [eiseres] op [onderneming 1] op grond van het voorgaande een persoonlijk ernstig verwijt van [gedaagde] op. Dat betekent dat vast is komen te staan dat [gedaagde] als bestuurder van [onderneming 1] onrechtmatig tegenover [eiseres] heeft gehandeld. Hiermee staat de aansprakelijkheid van [gedaagde] als bestuurder vast.
Schade3.14. Het voorgaande betekent dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de onbetaald gelaten vordering van [eiseres] op [onderneming 1] van € 338.000,-.
3.15.
Anders dan [gedaagde] stelt is de werkelijk geleden schade van [eiseres] niet relevant. Partijen hebben immers in de VSO vastgelegd welk bedrag [onderneming 1] zou betalen aan [eiseres] ter compensatie van de schade. Dat bedrag is inclusief btw. Bij vonnis van 3 januari 2024 is al beslist dat de vordering van [eiseres] ook het btw-bedrag omvat, omdat partijen dat hebben afgesproken. De rechtbank zal de vordering tot betaling van € 338.000,- van [eiseres] dan ook toewijzen.
Verklaring voor recht en kosten incident3.16.[eiseres] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] lijdt vanwege het niet nakomen van het vonnis (in incident) van de rechtbank 1 maart 2023. Daarnaast vordert hij de kosten van het incident ter hoogte van € 2.645,-. De rechtbank begrijpt dat de verklaring voor recht specifiek is gericht op de schade die [eiseres] lijdt vanwege het niet-nakomen van het vonnis van 1 maart 2023. [eiseres] doelt daarmee mogelijk op de proceskosten in incident en de proceskosten in de bodemzaak, maar heeft daarover geen stellingen ingenomen. Dat geldt ook voor de vordering tot betaling van de kosten van het incident. Om die reden wijst de rechtbank deze vorderingen af.
Buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente3.17. [eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. De rechtbank zal ook de gevorderde wettelijke rente toewijzen, met ingang van 17 oktober 2022. Vanaf dat moment is [gedaagde] in verzuim, omdat op die datum de schade is ontstaan doordat [gedaagde] toen duidelijk maakte dat [onderneming 1] niet ging nakomen.
Beslagkosten3.18. [eiseres] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 76,59 voor kosten deurwaardersexploten, € 676,00 voor griffierecht en € 614,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 614,00), totaal € 1.366,59.
Proceskosten
3.19.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
107,84
- griffierecht
5.061,00
- salaris advocaat
5.428,00
(2,00 punten × € 2.714,00)
- nakosten
178,00
(plus € 92,00 in geval betekening)
Totaal
10.774,84
3.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4. De beslissing

De rechtbank
4.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 338.000,- (inclusief btw), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag met ingang van 17 oktober 2022 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot vandaag vastgesteld op € 1.366,59, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro
over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 10.774,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna moet worden betekend, dan moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.
4.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2024.
WD (5648)