ECLI:NL:RBMNE:2024:1627

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 maart 2024
Publicatiedatum
15 maart 2024
Zaaknummer
C/16/562594 / HA ZA 23-587
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:904 lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vernietiging bindend advies beëindiging opleiding forensisch arts

Eiser was in opleiding tot forensisch arts bij gedaagde, die de opleiding op 26 maart 2021 beëindigde. Na bezwaar bij de KNMG-Geschillencommissie werd de opleiding hervat in een geïntensiveerd begeleidingstraject (GBT). Op 24 december 2022 beëindigde gedaagde opnieuw de opleiding. Eiser maakte wederom bezwaar bij de Geschillencommissie, die op 26 juni 2023 oordeelde dat de beëindiging redelijk was vanwege nalatigheid van eiser bij het uitvoeren van opleidingsopdrachten en het onttrekken aan begeleiding.

Eiser vorderde vernietiging van het bindend advies en het besluit tot beëindiging van de opleiding, stellende dat de goede procesorde en het recht op hoor en wederhoor waren geschonden en dat het inhoudelijk oordeel niet deugde. De rechtbank oordeelde dat het bindend advies slechts onder strenge voorwaarden vernietigd kan worden en dat deze niet waren vervuld.

De rechtbank stelde vast dat het beginsel van hoor en wederhoor niet was geschonden omdat schriftelijke verklaringen van begeleiders waren meegenomen en eiser geen verzoek had gedaan om hen te horen. Ook was de goede procesorde niet geschonden doordat de praktijkopleider het woord kreeg tijdens de zitting. Het inhoudelijk oordeel van de Geschillencommissie was voldoende gemotiveerd en redelijk. De vordering tot vernietiging werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot vernietiging van het bindend advies af en bevestigt de beëindiging van de opleiding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/562594 / HA ZA 23-587
Vonnis van 27 maart 2024
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. D. Coskun te Duiven,
tegen
de stichting
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. S. Snelder te Utrecht.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties 1 t/m 6,
  • de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 5,
  • het e-mailbericht van 11 december 2023 waarin mondelinge behandeling is bepaald,
  • de mondelinge behandeling van 14 februari 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Op basis hiervan doet de rechtbank uitspraak.

2.Waar gaat deze zaak over

2.1.
[eiser] is arts en was bij [gedaagde] in opleiding tot forensisch arts. Op 26 maart 2021 heeft [gedaagde] zijn opleiding beëindigd. Hiertegen heeft [eiser] bezwaar gemaakt bij de Geschillencommissie van artsenfederatie KNMG (hierna: de Geschillencommissie). De Geschillencommissie heeft het bezwaar gegrond verklaard en geoordeeld dat [eiser] zijn opleiding mocht vervolgen in aangepaste vorm, met een geïntensiveerd begeleidingstraject (hierna: GBT).
2.2.
[gedaagde] heeft de opleiding op 24 december 2022 opnieuw beëindigd. Wederom maakte [eiser] bezwaar bij de Geschillencommissie. De Geschillencommissie heeft in haar beslissing van 26 juni 2023 geoordeeld dat [gedaagde] de opleiding ditmaal in redelijkheid mocht beëindigen. Het oordeel van de Geschillencommissie luidt:
‘Voor zover de beëindiging van het GBT niet op het juiste moment heeft plaatsgevonden, moet sprake zijn van zwaarwegende redenen die aanleiding kunnen zijn de opleiding tijdens een GBT, op een eerder moment, te beëindigen. Naar het oordeel van de geschillencommissie is hiervan in dit geval sprake. De geschillencommissie constateert dat de aios( [eiser] )
, vanaf het begin van het GBT, zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen. Hij is nalatig geweest in het op tijd inleveren van zijn IOP(individueel opleidingsplan)
, het op tijd indienen van KPB's(korte praktijkbeoordelingen)
, het laten afnemen van vaardigheidstoetsen, het laten aftekenen van EPA's(bekwaamheidsniveau’s)
en het inleveren van praktijkopdrachten. De aios is daarop tijdens de voortgangsgesprekken gewezen. Ondanks dat, tijdens het tweede voortgangsgesprek, was afgesproken dat de praktijkopleider de aios intensiever zou observeren en één op één zou begeleiden, verzocht de aios de roostermaker, een dag later, om zich alleen door een begeleider van VGGM(Veiligheidsregio Gelderland-Midden)
te laten superviseren. De aios heeft zich hiermee onttrokken aan de begeleiding van de praktijkopleider.
De geschillencommissie is van oordeel dat, op grond van de overgelegde stukken, en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gekomen, de instituutsopleiders voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de aios niet voldeed aan de competenties, zoals beschreven in het IOP, en het de aios ook niet zou lukken, ook al zou de opleiding niet op 25 november 2022 feitelijk zijn beëindigd, om voor eind december 2022 alle opdrachten, zoals beschreven in het plan van aanpak en het IOP, in te leveren.
Op grond van het vorenstaande hebben de instituutsopleiders tot de conclusie kunnen komen dat de aios niet opleidbaar is en hebben zij de opleiding kunnen beëindigen.’
2.3.
[eiser] eist dat de rechtbank deze beslissing vernietigt, zodat hij zijn opleiding kan voortzetten. Hij stelt dat in de procedure bij de Geschillencommissie de goede procesorde en de beginselen van hoor en wederhoor geschonden zijn. Ook is hij van mening dat de inhoud van de beslissing niet deugt. Daarnaast eist [eiser] dat het besluit van [gedaagde] om de opleiding te beëindigen, wordt vernietigd en dat wordt bepaald dat hij de opleiding mag hervatten. [gedaagde] verzet zich hiertegen: zij meent dat de opleiding terecht is beëindigd en dat de beslissing van de KNMG zorgvuldig is.

3.De beoordeling

De beslissing
3.1.
[gedaagde] krijgt gelijk: de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. De beslissing van de Geschillencommissie om de opleiding van [eiser] te beëindigen is een bindend advies. De lat om een bindend advies te vernietigen ligt hoog en wordt niet gehaald. Doordat de beslissing van de Geschillencommissie in stand blijft, wordt niet toegekomen aan de andere vorderingen. Hierna wordt dit oordeel toegelicht.
Toetsingskader vernietiging van een bindend advies
3.2.
Het uitgangspunt van een bindend advies is dat partijen daaraan gebonden zijn. Vernietiging is mogelijk, maar daar zijn strenge voorwaarden aan verbonden: de wet bepaalt in artikel 7:904 lid 1 BW Pro dat vernietiging alleen mogelijk is als gebondenheid aan het bindend advies, in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit betekent dat niet elke onjuistheid in een bindend advies een grond is voor vernietiging, alleen ernstige gebreken kunnen daartoe leiden. [1] Ook procedurele fouten zijn niet per definitie reden voor vernietiging: daarvoor moet worden beoordeeld óf en in welke mate daardoor nadeel is ontstaan. [2]
3.3.
Vanwege het grote gewicht dat aan de bindende kracht van het advies wordt gehecht, toetst de rechter terughoudend. Het werk van de bindend adviseur wordt dus niet opnieuw gedaan. De rechter beoordeelt alleen of de bindend adviseur in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen. Als dat het geval is, bestaat er geen grond voor vernietiging.
Er is geen grond voor vernietiging van de beslissing van de Geschillencommissie
Het beginsel van hoor en wederhoor is niet geschonden
3.4.
[eiser] stelt dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, doordat zijn twee (mede)begeleiders, mevrouw [begeleider 1] en de heer [begeleider 2] , niet zijn gehoord tijdens de zitting van de Geschillencommissie. Die stelling slaagt niet.
3.5.
De twee (mede)begeleiders hebben voorafgaand aan de zitting aangegeven niet aanwezig te kunnen zijn en hebben daarom een schriftelijke verklaring opgesteld. De Geschillencommissie heeft daarvan kennisgenomen en de verklaring meegenomen in haar beslissing. Niet gebleken is dat [eiser] voorafgaand aan of tijdens de zitting heeft verzocht om mevrouw [begeleider 1] en de heer [begeleider 2] te horen.
3.6.
Het recht van hoor en wederhoor houdt in dat partijen de gelegenheid krijgen om op elkaars stellingen te reageren. Dat dit onvoldoende is gebeurd, is de rechtbank niet gebleken. Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de Geschillencommissie mevrouw [begeleider 1] en de heer [begeleider 2] had moeten horen: zij hadden immers al schriftelijk verklaard en er is niet gesteld dat die verklaring onvolledig was of vragen opriep. Het niet horen van de twee (mede)begeleiders levert dus geen grond op voor vernietiging van het oordeel.
De goede procesorde is niet geschonden
3.7.
Daarnaast stelt [eiser] dat de goede procesorde is geschonden doordat de heer [praktijkopleider] ter zitting de gelegenheid kreeg om het woord te voeren. Ook die stelling slaagt niet.
3.8.
De heer [praktijkopleider] was de praktijkopleider van [eiser] en was dus nauw betrokken bij zijn opleidingstraject. Dat de verhouding tussen [eiser] en zijn praktijkopleider was verstoord, betekent niet dat hij niet de gelegenheid mocht krijgen om het standpunt van [gedaagde] toe te lichten. Het is aan de Geschillencommissie om die woorden zorgvuldig te wegen en [eiser] de gelegenheid te geven om op die verklaring te kunnen reageren. Dat dit onvoldoende is gebeurd, is niet gebleken.
3.9.
Daarbij komt dat [eiser] ervan op de hoogte was dat de heer [praktijkopleider] bij de zitting van de Geschillencommissie aanwezig zou zijn en zelfs toestemming had gegeven dat hij zijn zienswijze naar voren zou brengen.
3.10.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de Geschillencommissie de goede procesorde heeft geschonden en dus levert ook dit geen grond voor vernietiging op.
De inhoudelijke beoordeling van de Geschillencommissie is niet onbegrijpelijk
3.11.
Tot slot voert [eiser] aan dat het inhoudelijk oordeel van de Geschillencommissie niet deugt. Hij heeft de indruk dat zijn opleiding is beëindigd vanwege de verstoorde verhouding met de heer [praktijkopleider] en dat de Geschillencommissie onvoldoende de zienswijze van de andere betrokkenen heeft meegewogen.
3.12.
De rechtbank is van oordeel dat de Geschillencommissie in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen en dat deze voldoende is gefundeerd. Aan het oordeel dat [gedaagde] de opleiding (en het GBT) voortijdig mocht beëindigen, ligt ten grondslag dat [eiser] het opleidingsplan, de opdrachten en de beoordelingen niet tijdig heeft ingeleverd en zich heeft onttrokken aan de begeleiding door de heer [praktijkopleider] . [eiser] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat dit feitelijk onjuist is.
3.13.
Dit betekent dat de vordering tot vernietiging van het bindend advies wordt afgewezen.
De overige vorderingen worden ook afgewezen
3.14.
Dat de beslissing van de Geschillencommissie in stand blijft, betekent dat ook het aan die procedure ten grondslag liggende besluit van [gedaagde] van kracht blijft. [gedaagde] mocht de opleiding van [eiser] dus beëindigen. De overige vorderingen van [eiser] worden om die reden afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
3.15.
[eiser] heeft ongelijk gekregen en moet dus de proceskosten van [gedaagde] vergoeden. Deze worden begroot op:
- griffierecht € 676,00
- salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × tarief II)
- nakosten
€ 178,00
Totaal € 2.082,00
3.16.
[eiser] moet over dit bedrag wettelijke rente betalen vanaf veertien dagen na de dag waarop [gedaagde] hem heeft aangeschreven met het verzoek de proceskosten te betalen. Betaalt [eiser] dan niet en laat [gedaagde] het vonnis door een deurwaarder betekenen, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen plus de kosten van betekening.
3.17.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat er direct moet worden betaald en dat het vonnis ook van kracht blijft als er hoger beroep wordt ingesteld, totdat de rechter in hoger beroep heeft geoordeeld.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
wijst de vorderingen af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 2.082,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het verstrijken van veertien dagen na aanschrijving, tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordeling is voldaan en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.T. Könning en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2024.

Voetnoten

1.Hoge Raad 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3585
2.Hoge Raad 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5890