Eiseres, eigenaar en gebruiker van een winkelpand uit 1990, betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €290.000,- voor het belastingjaar 2022, vastgesteld op peildatum 1 januari 2021. Na bezwaar en handhaving van de waarde door de heffingsambtenaar, is beroep ingesteld bij de rechtbank.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix gebaseerd op vergelijkingsmethode met drie referentie-objecten, waarbij verschillen in kwaliteit, onderhoud en prijs per m² zijn meegenomen. De rechtbank oordeelt dat de taxateur aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is, ondanks een gering verschil in oppervlaktegegevens.
Eiseres voerde diverse beroepsgronden aan, waaronder het niet maken van onderscheid tussen primaire en secundaire ruimte en het betwisten van de bruikbaarheid van referentie-objecten. Deze gronden zijn ingetrokken of door de rechtbank verworpen, mede omdat de taxateur aannemelijk maakte dat onderscheid in ruimtegebruik niet noodzakelijk is voor de waardebepaling.
De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van het object niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.