ECLI:NL:RBMNE:2024:1739

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 maart 2024
Publicatiedatum
20 maart 2024
Zaaknummer
C/16/567854 / FT RK 23/1147
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing faillissementsverzoek ontbonden vennootschap wegens ontbreken potentiële baten

De gemeente De Ronde Venen heeft bij de rechtbank Midden-Nederland een verzoek tot faillietverklaring ingediend tegen een ontbonden besloten vennootschap. De vennootschap was per 22 september 2023 middels turboliquidatie opgehouden te bestaan. Verzoekster stelde dat er sprake was van potentiële baten, onder meer vanwege te late vaststelling en deponering van jaarrekeningen en vermoedelijke selectieve betalingen.

Verweerster betwistte deze stellingen en gaf aan dat de onderneming door de coronapandemie in financiële problemen was geraakt, waarna een buitengerechtelijk akkoord werd aangeboden maar niet tot stand kwam. De onderneming werd geliquideerd en de baten werden uitgekeerd aan adviseurs en preferente schuldeisers.

De rechtbank oordeelde dat hoewel het bestaan van het vorderingsrecht van verzoekster summierlijk was gebleken, niet voldoende aannemelijk was gemaakt dat er nog potentiële baten zijn. De verklaring van verweerster over de liquidatiewaarde en de verdeling van de baten werd niet voldoende weersproken. Ook ontbrak nadere onderbouwing van de beweerde schending van de administratieplicht en publicatieplicht.

Daarom wees de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af. Hoger beroep is mogelijk binnen acht dagen na de beschikking bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring van de ontbonden vennootschap wordt afgewezen wegens het ontbreken van potentiële baten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Locatie Utrecht
rekestnummer: C/16/567854 / FT RK 23/1147
Beschikking op grond van artikel 1 Fw Pro (verzoek tot faillietverklaring)
d.d. 19 maart 2024
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE DE RONDE VENEN,
gevestigd te Mijdrecht,
verzoekster,
advocaat mr. V.T. Acar,
tegen
de besloten vennootschap
[verweerster] B.V.,
ingeschreven bij de KvK onder nummer [nummer] ,
statutair gevestigd te [plaats] ,
verweerster.

1.De procedure

1.1.
Het verzoekschrift tot faillietverklaring is behandeld tijdens een zitting achter gesloten deuren van deze rechtbank van 6 februari 2024 en op 19 maart 2024.
1.2.
Ter zitting van 19 maart 2024 zijn verschenen:
- Mr. [A] , namens verzoekster,
- De heer [B] , voormalig middellijk bestuurder verweerster,
- Mr. E.R.P. von Hegedus, advocaat van verweerster.

2.De beoordeling

2.1.
Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij een opeisbaar bedrag van € 148.557,07 inclusief te vorderen heeft van verweerster uit hoofde van een huurovereenkomst. Verweerster is per 22 september 2023 middels een turboliquidatie opgehouden te bestaan. Verzoekster stelt dat verweerster haar jaarrekeningen over de jaren 2018 tot en met 2022 te laat heeft vastgesteld en ook te laat gedeponeerd. Op basis hiervan is er sprake van een bate uit bestuurdersaansprakelijkheid. Verzoekster stelt ook dat sprake is van selectieve betalingen. Op de eindbalans van 31 december 2022 was er nog een bedrag van € 132.216,- aan activa en op de slotbalans van 31 augustus 2023 is de activa nihil. Verweerster had vanwege het bestaan van de activa niet mogen overgaan tot een turboliquidatie.
2.2.
Verweerster betwist hetgeen verzoekster heeft gesteld in haar verzoekschrift. Verweerster is in de problemen gekomen door de coronapandemie. Om tot afwikkeling van de financiële problemen te komen, is een buitengerechtelijk akkoord aangeboden. Het akkoord is niet tot stand gekomen. Vervolgens heeft verweerster het besluit genomen om tot een zogenaamde turboliquidatie over te gaan. De onderneming is verkocht en de baten zijn uitgekeerd aan de adviseurs en de hoog preferente schuldeisers, zijnde de belastingdienst en een werknemer.
2.3.
De rechtbank stelt voorop dat het faillissement van een ontbonden rechtspersoon kan worden uitgesproken, indien summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn en aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan.
2.4.
Uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, blijkt summierlijk het bestaan van het vorderingsrecht van verzoekster. Ook is voldoende gebleken dat verweerster - voor de turboliquidatie - meerdere schuldeisers onbetaald had gelaten. Indien verweerster niet geliquideerd was, zou zijn gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Dit wordt ook niet door verweerster betwist.
2.5.
Daarnaast moet summierlijk blijken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat verweerster nog potentiële baten heeft. Verzoekster heeft in dit verband – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Uit de meest recente jaarrekening volgt dat de activa per ultimo 2022 een waarde van € 132.216,- vertegenwoordigen. Voorts blijkt uit de slotbalans van 31 augustus 2023 dat de activa geen waarde meer zouden vertegenwoordigen. Verzoekster heeft als schuldeiser geen betaling ontvangen, zodat moet worden aangenomen dat het bestuur van verweerster selectieve betalingen heeft verricht. Daarnaast zijn de jaarrekeningen van 2018 tot en met 2022 te laat gedeponeerd en is de administratieplicht geschonden, wat ook gronden zijn is voor bestuurdersaansprakelijkheid. Uit deze omstandigheden volgt dat verweerster nog potentiële baten heeft, bestaande uit één of meerdere vorderingen op het bestuur.
2.6.
Verweerster heeft betwist dat sprake is van potentiële baten. De onderneming is gestaakt als gevolg van de onhoudbare coronaschuldenlast en de nog aanwezige activa zijn te gelde gemaakt en, rekening houdend met de wettelijke rangorde, onder de schuldeisers verdeeld. Verweerster heeft hierover opening van zaken gegeven. Van onrechtmatige selectieve betalingen is dus geen sprake. Daarnaast kan uit het gegeven dat de jaarrekeningen te laat zijn gedeponeerd niet een bate worden geconstrueerd, omdat een curator wegens de enkele schending van de publicatieplicht geen vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid zal instellen. Ten slotte heeft verzoekster géén onderbouwing gegeven voor de beweerdelijke schending van de administratieplicht, hetgeen door verweerster ook wordt betwist, zodat ook daaruit geen potentiële bate voortvloeit.
2.7.
De rechtbank is van oordeel dat niet summierlijk is gebleken dat verweerster nog potentiële baten heeft. Verweerster heeft medio 2023 haar onderneming geliquideerd en stukken aangeleverd waaruit volgt op welke wijze de activa te gelde zijn gemaakt, en hoe de baten vervolgens zijn verdeeld. Over het verschil tussen de activa op de balans per ultimo 2022 en per 31 augustus 2023 heeft verweerster verklaard dat dit een gevolg is van boekwaarde versus de liquidatiewaarde. Verzoekster heeft dat onvoldoende weersproken. Daar komt bij dat verzoekster, gedurende de aanhouding van deze faillissementsprocedure, inzage heeft gekregen in de boeken van verweerster in de drie jaar voorafgaand aan de vereffening. Verzoekster heeft hierover ter zitting naar voren gebracht dat die inzage niet heeft geleid tot intrekking van het faillissementsverzoek. Een nadere onderbouwing van haar standpunt dat onrechtmatig selectief zou zijn betaald, is echter – als gevolg van geheimhoudingsafspraken – niet gegeven. Verder is van belang dat verzoekster niet heeft onderbouwd waar de beweerdelijke schending van de administratieplicht uit zou hebben bestaan, en evenmin nog nader is ingegaan op de schending van de publicatieplicht. Daardoor is niet duidelijk geworden dat de vennootschap nog een potentiële bate heeft, bestaande uit een vordering op haar bestuurder. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst af het verzoek tot faillietverklaring.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Konings en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2024. [1]