ECLI:NL:RBMNE:2024:1869

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
27 maart 2024
Zaaknummer
570841 / HA RK 24-34
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring wrakingsverzoek tegen rechter vanwege procesbeslissing

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die betrokken was bij twee civiele zaken, omdat een verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling was afgewezen en er onduidelijkheid bestond over digitale deelname aan de zitting. Verzoekster vreesde dat de rechter niet onpartijdig was en haar niet goed zou horen.

De rechter gaf aan niet vooringenomen te zijn, kende de dossiers en partijen niet, en erkende dat de communicatie over digitale deelname ongelukkig was verlopen. De wrakingskamer beoordeelde het verzoek en oordeelde dat de beslissing om geen uitstel te verlenen een procesbeslissing is, welke volgens jurisprudentie geen reden tot wraking geeft.

Hoewel de communicatie misverstanden veroorzaakte, was er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. De wrakingskamer concludeerde dat de rechterlijke onpartijdigheid niet was geschaad en wees het wrakingsverzoek af. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 570841 / HA RK 24-34
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 26 maart 2024
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
(verder te noemen: verzoekster),
advocaat mr. J.H. Weermeijer-Patist, te Leiden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het wrakingsverzoek van verzoekster van 21 februari 2024, ingediend via een mailbericht;
  • de mailwisseling tussen de griffier van de rechtbank en de advocaat over het door verzoekster gedane uitstelverzoek in de hoofdzaak;
  • de reactie van de rechter op het wrakingsverzoek van 22 februari 2024;
  • de e-mail van de advocaat met daarin de reactie namens verzoekster van 8 maart 2024;
  • de e-mail van de rechter met een nadere reactie van 11 maart 2024.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 12 maart 2024 met gesloten deuren behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
Bij de mondelinge behandeling is niemand verschenen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen de rechter als behandelend rechter, in de zaken met de zaaknummers C/16/569030 / JE RK 24/106 en C/16/569010 / JE RK 24-103.
2.2.
Verzoekster heeft het volgende aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. De rechter heeft een verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling afgewezen en de advocaat van verzoekster in overweging gegeven om de mondelinge behandeling via een videoverbinding bij te wonen. De rechtbank heeft de advocaat vervolgens op verzoek een videolink toegestuurd. Vervolgens stelde de rechtbank dat er geen toestemming was verleend voor het digitaal bijwonen van de zitting en dat de videolink ten onrechte was gestuurd. Hoewel is gebleken dat dit misverstand is ontstaan doordat de rechter en griffier elkaar verkeerd hadden begrepen, schrijft de rechter de miscommunicatie toe aan de advocaat. Verzoekster maakt zich zorgen over hoe de zitting zal verlopen, omdat zij de indruk heeft gekregen dat zij niet door de rechter wordt gehoord en wordt tegengewerkt. Volgens verzoekster kan niet meer worden gesproken van een onafhankelijke rechter.
2.3.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij dat zij niet vooringenomen is. Zij kent de dossiers, de advocaat en de partijen niet en heeft zich daarom nog geen mening kunnen vormen over de zaak. De communicatie vanuit de rechtbank over het doorgaan en bijwonen van de zitting is ongelukkig verlopen en de rechter heeft ten onrechte de indruk gewekt dat het misverstand aan de advocaat lag. Dat laat onverlet dat de beslissing om de zaak niet aan te houden een procesbeslissing is die geen grond kan vormen voor een wraking. De rechter vindt dat verzoekster het instrument van wraking oneigenlijk heeft ingezet, omdat zij hiermee alsnog een toewijzing van het uitstelverzoek heeft afgedwongen.

3.De beoordeling

Het beoordelingskader
3.1.
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.
Het wrakingsverzoek wordt ongegrond verklaard
3.3.
De beslissing van de rechter vormt geen reden voor wraking, omdat de beslissing om geen uitstel van de mondelinge behandeling te verlenen en geen toestemming te geven voor digitale deelname daaraan, moet worden aangemerkt als een procesbeslissing. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1413) blijkt dat een procesbeslissing als zodanig nooit een grond kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is.
3.4.
Dit geldt in het algemeen ook voor de motivering van de procesbeslissing als grond voor wraking. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid.
3.5.
In de motivering van de beslissing staat dat het bijwonen van de beëdiging van een pupil door de advocaat geen klemmende reden is voor aanhouding van de zaak. Verder staat in de beslissing dat het niet de bedoeling is dat de advocaat digitaal bij de zitting aansluit, omdat er op zitting twee verzoeken worden besproken waarvoor vijf kwartier is uitgetrokken. De rechter vermoedde dat er veel emoties zouden spelen en zij vond fysieke behandeling daarom geschikter, zo schrijft zij.
3.6.
De wrakingskamer ziet dat de communicatie zeer ongelukkig is verlopen en dat verzoekster daardoor de indruk heeft gekregen dat zij digitaal aan de zitting kon deelnemen. De rechter heeft daarvoor ook haar excuses aangeboden. Uit de motivering van de beslissing op het uitstelverzoek en van de beslissing om deelname via videoverbinding niet toe te staan, kan echter niet worden afgeleid dat de rechter vooringenomen is. Daarom zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoekster, de rechter tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkzaam is, en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekster met de zaaknummers C/16/569030 / JE RK 24/106 en C/16/569010 / JE RK 24-103 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, en mr. A.F. Hermans en
mr. Y.N.M. Rijlaarsdam als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. J. Broere, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.