In deze civiele procedure tussen twee besloten vennootschappen stond de vraag centraal of eiseres recht had op schadevergoeding wegens een onaanvaardbare opzegging door gedaagde zonder aanbod tot vergoeding.
De rechtbank stelde in een tussenvonnis dat de schadevergoeding gelijk moest zijn aan de investeringen die eiseres had gedaan na het sluiten van de raamovereenkomst tot de opzegging, voor zover deze investeringen niet waren terugverdiend en geen meerwaarde hadden voor het eigen bedrijf.
Eiseres stelde dat zij een bedrag van €261.923,96 had geïnvesteerd, onderbouwd met een accountantsoverzicht. Gedaagde betwistte dit en voerde aan dat de investeringen en kosten door andere entiteiten waren gemaakt, deels niet samenhangen met de samenwerking en dat eiseres nog steeds profiteert van bepaalde investeringen.
De rechtbank concludeerde dat eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat zij zelf schade heeft geleden en dat de investeringen niet tot een toewijsbare vordering leiden. De vordering werd daarom afgewezen. Tevens werd eiseres veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.