De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 8 maart 2024 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene met een middelgerelateerde verslavingsstoornis.
Betrokkene lijdt aan een alcoholverslaving en cognitieve problemen, waarbij sprake is van een risico op suïcidaliteit en verwaarlozing. De advocaat van betrokkene voerde aan dat er geen sprake is van een stoornis die toepassing van de Wvggz rechtvaardigt en dat betrokkene vrijwillig ambulante zorg accepteert. De psychiater bevestigde de verslavingsstoornis en cognitieve achteruitgang, maar stelde dat de ernst niet zodanig is dat verplichte zorg noodzakelijk is.
De rechtbank oordeelt dat aan de criteria van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:1433) voor toepassing van de Wvggz bij een middelgerelateerde verslavingsstoornis is voldaan, omdat betrokkene geen controle heeft over zijn verslaving en er sprake is van ernstig nadeel. Echter, omdat betrokkene zich niet verzet tegen de geboden ambulante zorg en vrijwillige behandeling mogelijk is, wijst de rechtbank het resterende deel van het verzoek tot zorgmachtiging af.
De rechtbank benadrukt dat op de lange termijn gezocht moet worden naar een betere woonvorm met 24-uurs zorg, maar dat de huidige zorgmachtiging bedoeld was om ambulante betrokkenheid te waarborgen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.