ECLI:NL:RBMNE:2024:1940

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 maart 2024
Publicatiedatum
29 maart 2024
Zaaknummer
16-148620-23
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 84 WvSv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering opheffing schorsing voorlopige hechtenis wegens niet-onverwijldheid

De verdachte was geschorst uit voorlopige hechtenis onder de voorwaarde zich niet aan strafbare feiten te schuldig te maken. Op 17 maart 2024 werd de verdachte aangehouden wegens overtreding van deze voorwaarde. De officier van justitie vorderde opheffing van de schorsing op grond van artikel 84 lid 1 WvSv Pro.

De rechtbank stelde vast dat de vordering tot opheffing pas op 20 maart 2024 werd ingediend, wat niet als onverwijld wordt beschouwd volgens artikel 84 lid 2 WvSv Pro. Er werden geen bijzondere omstandigheden gesteld die een afwijking rechtvaardigen. De officier van justitie gaf aan dat er een interne fout bij politie of OM was opgetreden, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet ten laste van de verdachte mag komen.

Daarom wees de rechtbank de vordering af. De beslissing werd genomen in raadkamer op 21 maart 2024 door drie rechters, waarbij ook de griffier aanwezig was.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af wegens niet-onverwijldheid van de indiening.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
parketnummer : 16-148620-23

beslissing op vordering opheffing schorsing van de raadkamer d.d. 21 maart 2024

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [1993] te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] , [woonplaats]
feitelijk verblijfsadres:
[adres] , [woonplaats] .
Raadsman mr. B.H.J. van Rhijn.

Procedure

De voorlopige hechtenis van de verdachte is bevolen en bij beslissing van 26 september 2023 geschorst. Aan de schorsing zijn voorwaarden verbonden, waaronder de voorwaarde dat:
-
de verdachte zich gedurende de schorsingsperiode niet aan enig strafbaar feit schuldig zal maken.
De verdachte is op 17 maart 2024 om 18.50 uur aangehouden op grond van artikel 84, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De officier van justitie heeft opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis gevorderd, omdat uit het proces-verbaal van politie met nummer PL0900-2024086590 blijkt dat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de hiervoor gestelde algemene voorwaarde.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman gehoord.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 17 maart 2024 om 18.50 uur is aangehouden ter zake het overtreden van de schorsende voorwaarden op grond van artikel 84 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Op grond van artikel 84 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering dient de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis onverwijld bij de rechtbank ingediend te worden. De rechtbank stelt vast dat de vordering op 20 maart 2024 is ingediend. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet ‘onverwijld’. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet voldaan is aan de bepaling zoals gegeven in artikel 84 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Van bijzondere omstandigheden die maken dat van voornoemd artikel dient te worden afgeweken is niet gebleken, deze zijn ook niet gesteld door de officier van justitie. De officier van justitie heeft uitgelegd dat er iets niet goed is gegaan bij de politie en/of het OM. De rechtbank is van oordeel dat dat niet voor rekening en risico van verdachte dient te komen.
De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie strekkende tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst af de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 21 maart 2024 door:
mr. E.H.M. Druijf, voorzitter,
mr. A.J. Reitsma en mr. J.P. Verboom, rechters,
in tegenwoordigheid van G.Z. Bont, griffier.