Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
beslissing op vordering opheffing schorsing van de raadkamer d.d. 21 maart 2024
[verdachte] ,
Procedure
de verdachte zich gedurende de schorsingsperiode niet aan enig strafbaar feit schuldig zal maken.
Rechtbank Midden-Nederland
De verdachte was geschorst uit voorlopige hechtenis onder de voorwaarde zich niet aan strafbare feiten te schuldig te maken. Op 17 maart 2024 werd de verdachte aangehouden wegens overtreding van deze voorwaarde. De officier van justitie vorderde opheffing van de schorsing op grond van artikel 84 lid 1 WvSv Pro.
De rechtbank stelde vast dat de vordering tot opheffing pas op 20 maart 2024 werd ingediend, wat niet als onverwijld wordt beschouwd volgens artikel 84 lid 2 WvSv Pro. Er werden geen bijzondere omstandigheden gesteld die een afwijking rechtvaardigen. De officier van justitie gaf aan dat er een interne fout bij politie of OM was opgetreden, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet ten laste van de verdachte mag komen.
Daarom wees de rechtbank de vordering af. De beslissing werd genomen in raadkamer op 21 maart 2024 door drie rechters, waarbij ook de griffier aanwezig was.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af wegens niet-onverwijldheid van de indiening.